Tienermeisje eet slechts levende mussen

Samanta Schweblin: De mond vol vogels. Vertaald door Elvira Veenings. Rainbow, 189 blz. €18,95

Stel je een eenzaam stationnetje voor op de eindeloze Argentijnse pampa. Alleen het woonhuis van de stationschef staat ernaast. De verdwaalde reiziger op het perron heeft geen kleingeld voor een kaartje. De chef weigert het te grote biljet. Hij laat de trein doorrijden omdat er toch geen reizigers zijn. Zo begint het verhaal ‘Op weg naar de vrolijke beschaving’ in de bundel De mond vol vogels van de jonge Argentijnse schrijfster Samanta Schweblin. Twee, inmiddels bekroonde verhalenbundels schreef ze tot nu toe. De nu verschenen vertaling, die de titel draagt van de meest recente bundel, is daaruit samengesteld. Opmerkelijk genoeg zijn de beste verhalen afkomstig uit haar eerste boek, De kern van de onrust (2002). Ook ‘Op weg naar de vrolijke beschaving’ verscheen daarin.

Bijna alle verhalen van Schweblin spelen zich af op het platteland en zijn doortrokken van een enigszins onheilspellende sfeer die soms naar het surrealistische en soms naar het horror-genre doorbuigt. In ‘Wanhopige vrouwen’ verandert een nachtelijke snelweg in een bizarre limbus, waar zacht het gejammer klinkt van de vrouwen die ooit door hun man in het lege land uit de auto werden gezet. Het verhaal ‘De graver’, over het vruchteloos zoeken naar een almaar dieper liggende schat, lijkt een illustratie bij De mythe van Sisyfus van Albert Camus. Het slotverhaal ‘Onder de grond’, waarin eveneens gegraven wordt en vervolgens de kinderen van een heel dorp in de aarde verdwijnen, lijkt een sinistere variant op De Rattenvanger van Hamelen.

Schweblin schrijft uitgesproken cinematografisch. Het verhaal ‘In de steppe’, over een onvruchtbaar echtpaar dat kinderen hoopt te verwekken via het donorschap en een angstwekkend pampa-wezen krijgt, ademt de geest van de film Rosemary’s Baby. Het openingsverhaal ‘Irman’, over een bizarre overval op een wegrestaurant, doet denken aan Tarantino. Door het titelverhaal, waarin een tienermeisje zich alleen nog met levende mussen blijkt te kunnen voeden, dwaalt Hitchcocks geest. En ‘Een hond doden’ (een van de weinige stadsverhalen), over een huurmoordenaar die als proef een hond moet doodslaan en afgewezen wordt omdat hij aarzelt, herinnert aan Iñarítu’s Amores perros.

Zo pakt ook ‘Op weg naar de vrolijke beschaving’, dat in deze verzameling het beste verhaal is en in Argentinië afzonderlijk werd bekroond, uiteindelijk uit als een Argentijnse variant op de film De vrouw in het zand. De reiziger die zonder kaartje op het eenzame perron zijn trein voorbij ziet rijden, wordt liefdevol opgenomen door de stationschef en zijn vrouw. Eenmaal in hun huis geïnstalleerd, blijkt hij niet de enige te zijn. Nog drie reizigers zijn gestrand, allemaal op weg naar hun respectabele banen in de hoofdstad, en allemaal zonder passend kleingeld.

Het viertal weet de trein te doen stoppen en naar de beschaving te ontkomen. Maar pas als ze het stationnetje hebben zien vollopen met uitstappende reizigers die op hun beurt aan hun eindeloos durende treinrit zeggen te zijn ontsnapt. Ook dat verhaal eindigt met Sisyfus’ troosteloze vergeefsheid – en smeekt om verfilming.