'Straatterreur' valt erg mee

Criminoloog Monique Koemans onderzocht elf ‘probleemwijken’ in de Randstad. Slechts in drie daarvan hadden de bewoners last van hangjongeren.

Overlast op straat geldt in de Nederlandse politiek als een van de ernstigste kwalen van stedelijke achterstandswijken. Het gaat meestal om jongeren die hinderlijk rondhangen, graffiti spuiten op muren en deuren, herrie maken, het trottoir versperren met hun scooters, vrouwen nafluiten en omwonenden lastigvallen. Ambtenaren en maatschappelijk werkers noemen dit licht criminele, maar niet strafbare gedrag ‘antisociaal’. Steeds meer politici reppen van ‘straatterreur’ en roepen om harde maatregelen naar Brits voorbeeld.

Gisteren promoveerde criminoloog Monique Koemans in Leiden op een onderzoek naar waan en werkelijkheid van antisociaal gedrag in elf achterstandswijken, in Amsterdam, Utrecht, Rotterdam en Den Haag. Ze koos deze buurten omdat ze vaak in het nieuws zijn en gelden als ‘extreme gevallen’. Koemans stelt vast dat overlastgevend gedrag maar in drie van deze wijken „het publieke debat beheerst”. Politici die aandringen op meer repressie, zegt ze, gaan niet af op een vraag van het publiek, maar op gechargeerde berichtgeving in de media.

Nederlandse beleidsmakers verwijzen vaak instemmend naar de vergaande Britse maatregel (antisocial behaviour order, asbo) uit 1998. Gemeente, politie of een woningcorporatie kunnen via een civielrechtelijke procedure dwingende afspraken (‘contracten’) opleggen aan overlastgevers. Gedrag dat eigenlijk niet strafbaar is, van hinderlijk manoeuvreren met een skateboard tot luid roepen op straat, kunnen bij overtreding van zo’n contract strafrechtelijk worden vervolgd.

Koemans sprak met Britse beleidsmakers, politiechefs en wetenschappers over de asbo-praktijk. „De Britse definitie van overlast is heel ruim”, vertelt ze: „alle gedrag dat distress of alarm kan opleveren voor omwonenden. Zo kreeg een vrouw die een paar keer zelfmoord probeerde te plegen, wat steeds mislukte, een asbo opgelegd. Ze mocht niet in de buurt komen van oevers, spoorwegovergangen en bruggen. Ook jongetjes die met een voetbal tegen een garagedeur trapten en na herhaalde waarschuwingen niet ophielden, kregen een asbo opgelegd. Van ‘asbo-jongeren’ wordt een foto met naam en toenaam opgehangen in buurtwinkels. Met zo’n stigma wordt het moeilijk om je in zo’n buurt te ontwikkelen op een rustiger pad.”

Er is inmiddels veel kritiek op de maatregel en hij wordt steeds minder toegepast. „Afgelopen zomer heeft Theresa May, de Conservatieve minister van Binnenlandse Zaken, laten weten dat hij wordt afgebouwd. Ze wil terug naar een combinatie van sociaal beleid – aanpakken van de oorzaken van overlast door opvoedingsondersteuning en bestrijding van schooluitval – en repressie. Dat komt in de buurt van het Nederlandse beleid.”

In Nederland bespeurt Koemans veel politieke steun voor een hardere aanpak van overlast op straat. Ze analyseerde Tweede Kamerdebatten en nam in 2009 interviews af met portefeuillehouders in de Kamer en in grote steden. Een meerderheid bleek wel oren te hebben naar een repressiever beleid.

Koemans constateert een opvallende kloof tussen het politieke vertoog en de ervaringen van bewoners in de door haar onderzochte achterstandswijken. Samen met 55 masterstudenten deed ze daar observaties en nam ze interviews af met buurtbewoners, winkeliers, maatschappelijk werkers en wijkagenten. „In het algemeen is bij grootschalig survey- onderzoek in achterstandwijken de non-response rate hoog. Daarom heb ik gekozen voor straatinterviews en observaties. In totaal zijn 337 interviews afgenomen en zijn 500 uur besteed aan observaties. Over het algemeen vertelden mensen graag hun eigen verhaal over de buurt. In drie van de elf wijken noemde men overlast een groot probleem. Dat mensen zich onveilig voelen door hangjongeren kwamen we heel weinig tegen. Dat verraste ons ook.”

Wijkbewoners zijn over het algemeen niet voor repressiever beleid. „We hoorden vaak: er wordt al zoveel gedaan en we zien een verandering ten goede. De laatste CBS-cijfers bevestigen dat. Winkeliers zijn wel vaker voorstander van een hardere aanpak. Misschien hebben die meer last, misschien wonen ze niet in de buurt. Bewoners die vertrouwd zijn met de buurt voelen zich er vaak prettig en herkennen zich niet in het beeld dat de politiek van hun wijk geeft.”

Politici gaan vooral af op berichtgeving in de media, zegt Koemans. „Media werpen zich graag op als woordvoerder van buurtbewoners, maar die voelen zich niet door hen gehoord. We hebben het mediadiscours onderzocht over een periode van vijftien jaar en keken hoe er is geschreven over overlast. We zagen een explosieve toename van het aantal berichten en ook een escalatie van het woordgebruik, tot en met straatterreur. En er werd vaak een verband gelegd met problemen rond immigranten.”

Koemans concludeert: „Het probleem is niet zo bedreigend voor de stedelijke samenleving als wel wordt gesuggereerd. Repressiever beleid is niet nodig. Het is eerder zo dat bestaande beleidsinstrumenten onvoldoende effectief worden ingezet.”