Oorlog is een vrijmarkt

Vladimir Makanin: Asan. Vertaald door Gerard Cruys. De Arbeiderspers, 492 blz. €34,95

In Oorlog en vrede legt vorst Andrej Bolkonski uit dat de cavalerie niet bedoeld is om te doden, maar alleen om de vijandelijke infanterie op de vlucht te jagen. Nog afgezien van het feit dat het praktisch onmogelijk is met je sabel op een vluchtende infanterist in te hakken zonder je eigen been of paard te verwonden, zou geen militair het kunnen opbrengen een man te doden die niet probeert zich te verdedigen. Dat zei Tolstojs romanheld in 1812. Ruim honderdtachtig jaar na de oorlog tegen Napoleon worden de strijdende partijen in Tsjetsjenië allerminst door nobele opwellingen gehinderd. Slapende soldaten, bejaarden, vrouwen en kinderen – niemand is te min om te worden afgeslacht. Alleen geld is heilig, te oordelen naar Vladimir Makanins roman Asan.

De Russische majoor Aleksandr Sergejitsj Zjilin, een veertiger uit de Oeral, beheert een benzinedepot in Tsjetsjenië. Hij is verantwoordelijk voor de distributie van olie en benzine naar de diverse legeronderdelen. Een lastige taak, aangezien de transporten het geliefkoosde doelwit zijn van Tsjetsjeense rebellenleiders, die de nauwe bergpassen voor het uitkiezen hebben als ze zich in hinderlaag willen leggen.

Bij elke geslaagde leverantie eigent majoor Zjilin zich één op de tien vaten benzine toe. Dat verkoopt hij door – niet zelden aan de Tsjetsjeense rebellen. Toegegeven, hij is corrupt, maar: ‘Corruptie getuigt van een zeker niveau. Dat getuigt al van een zekere cultuur.’ Bovendien: ‘Als er handel is, betekent dat verzoening. Dan is het zowat vrede. Hoera!’ Zijn duistere praktijken worden van hogerhand oogluikend toegestaan, want zonder de nauwe banden tussen majoor Zjilin en de Tsjetsjenen komt geen enkele militaire colonne veilig aan.

Geen vechtjas

De majoor is een sympathieker hoofdpersoon dan je op grond van deze informatie zou verwachten. Hij heeft al vroeg ingezien dat hij geen vechtjas is en tegen zichzelf gezegd: ‘Het is de verkeerde oorlog, majoor, om je leven te verspillen.’ Zijn vrouw en dochtertje zijn voor hem de hoofdzaak. Met de opbrengst van zijn handel laat hij ergens in Rusland een datsja bouwen, waar hij straks in vrede wil leven. Hij gaat niet over lijken. Bovendien is hij zijn handel uit pure noodzaak begonnen, want zijn depot is slecht beveiligd, en als de Tsjetsjenen geen olie kunnen kopen, hebben ze geen andere keus dan deze gewapenderhand op te eisen, waarbij de majoor natuurlijk als eerste het loodje legt. Nu hij de olie te koop aanbiedt, is hij een belangrijk man, ook voor de Tsjetsjenen: als de ene krijgsheer de euvele moed heeft een transport van majoor Zjilin te onderscheppen, wordt hij door de andere krijgsheer met kogelvrije BMW en al opgeblazen – die olie was voor hém bestemd.

De majoor gebruikt zijn contacten ook om gevangen genomen Russische soldaten, die hoog in de bergen een ondraaglijk slavenbestaan leiden, vrij te kopen. De moeders van de soldaten moeten het losgeld bijeenbrengen; de majoor zegt er eerlijk bij dat tien procent voor hem is, als onderhandelaar.

Dat er in deze oorlog voor iedereen iets te verdienen valt, wordt nergens duidelijker dan in het hoofdstuk over de ontvoering van een prominente journaliste en mensenrechtenactiviste. De Tsjetsjeense commandant die het geluk had haar op te pakken drijft de losprijs steeds verder op, de onderhandelaars spannen zich in omdat ze een vette commissie in het vooruitzicht hebben, journalisten spuien hun ‘gemaakte krantenpapieren woede’, maar schaden ondertussen welbewust het imago van hun veel te snel beroemd geworden collega door ongegeneerd te speculeren over de verkrachtingen die ze moet ondergaan, en ten slotte spinnen ook de Russische autoriteiten garen bij de ontvoering omdat de mensenrechtenbeweging een gevoelig lesje krijgt: ‘Zo zijn die Tsjetsjenen van jullie...’ Vladimir Makanin maakt inzichtelijk dat de belangen van de strijdende partijen op een complexe manier volledig samenvallen.

Medelijden

Het keerpunt in het verhaal komt wanneer de handige ritselaar en koelbloedige militair nu eens niet op eigen voordeel uit is, maar medelijden voor twee jonge, getraumatiseerde Russische soldaten opvat. ‘Asjemenou! Ik dacht net zoveel aan vreemden als aan mijn eigen familie. Dat mag niet, majoor, schold ik mezelf uit.’ Uiteindelijk komt zijn medemenselijkheid hem duur te staan.

Er valt het nodige op Asan aan te merken. Sommige personages komen oeverloos aan het woord, om daarna geen rol van betekenis meer te spelen. Het dramatische slot is al te voorspelbaar, en met enkele uitspraken van een belezen generaal over de heidense godheid Asan voorziet Makanin zijn verhaal tamelijk goedkoop van mythologische schakering.

Vladimir Makanin (1937) is een veteraan in de Russische letteren, die weet dat het allemaal niet zo nauw zit, als wat je zegt maar raak is. In een ongekookte, soldateske stijl schreef hij een pakkend, bij vlagen spannend boek dat vooral indruk maakt door het consequente beeld van de oorlog als vrijemarktsector. Dat de oorlog één grote leugen is, vermoedden we al, maar de waarheid daarachter ziet er telkens anders uit. Volgens Tolstoj in Oorlog en vrede is het een fabel dat een veldslag door goed leiderschap beslist wordt. Makanin leert ons dat een vooruitziend commandant de hinderlagen gewoon afkoopt.