Kunst moet authentiek

Sinds jaar en dag wordt eerstejaarsstudenten filosofie de even irritante als zinloze kwestie van het ‘Schip van Theseus’ voorgelegd. Deze beroemde filosofische paradox draait om de onoplosbare vraag of een schip waarvan alle delen zijn vervangen tijdens een ingrijpende restauratie nog altijd wel hetzelfde schip genoemd kan worden. Vervolgvraag is dan wat we ervan moeten denken als je van alle resterende oorspronkelijke onderdelen vervolgens een nieuw scheepje maakt. Zou dat dan niet eigenlijk het oorspronkelijke schip zijn?

Volkomen terecht wees Wittgenstein erop dat deze wijsneuzige kwestie uiteindelijk geheel draait om de taalkundige dubbelzinnigheid van het woord ‘hetzelfde’. Immers, als we onder ‘hetzelfde’ verstaan ‘onveranderd’, dan is het uiteraard niet langer ‘hetzelfde schip’. Verstaan we onder ‘hetzelfde’ daarentegen ‘gelijk aan’, dan is het wel degelijk ‘hetzelfde schip’. Hoe nutteloos dit gedachte-experiment ook is, het heeft op de West-Europeaan – in elk geval van het moderne, decadente type – een niet te stuiten aantrekkingskracht. Weinig andere thema’s intrigeren hem meer dan ‘authenticiteit’.

Ik ondervond dat aan den lijve toen ik enige tijd geleden bij een etentje in gesprek raakte met enkele ontwikkelde cultuurliefhebbers. Ik had op dat moment juist een litho van Braque gekocht, die voor een fractie van de normale prijs in de uitverkoop was gedaan, omdat er geen handtekening van de meester op stond. Mijn gespreksgenoten vonden een dergelijk prijsverschil begrijpelijk en volkomen terecht. Sterker nog, het was tamelijk idioot dat ik het werk had willen kopen. Het was toch niet ‘authentiek’? Wat moest je ermee?

Ik antwoordde dat het volgens mij zou moeten gaan om de kwaliteit van het kunstwerk. Wat maakte het uit wie het gemaakt had en of het ‘authentiek’ was of niet? Deze opvatting werd direct van tafel geveegd. In het hedendaagse cultuurdiscours overschaduwt authenticiteit al het andere. Kunsthistorici geloven dat er zoiets bestaat als ‘de’ westerse stijlontwikkeling, die ruwweg zou lopen van de 14de-eeuwse fresco’s van Giotto naar de 20ste-eeuwse abstracte kunst; dat daartussenin duidelijke ‘periodes’ van voortschrijdend stijlinzicht zijn te onderscheiden; en dat het ten principale onmogelijk is in de ene periode kunst te maken in de stijl van een andere, reeds voorbije periode. Dan zou het ‘kitsch’ worden, zo stellen zij, of ‘pastiche’ (en dat is allemaal heel erg).

Ook meent men dat we kunstenaars vooral moeten roemen en waarderen om hun ‘revolutionaire’ inzichten in de voortgang van deze als noodzakelijk en dwingend beschouwde ontwikkeling – en dat een kwalificatie als ‘mooi’ hopeloos irrelevant is. Zo wordt een litho van Georges Braque dus bijvoorbeeld niet primair geprezen om (en geprijsd naar) het diepe psychologische inzicht waarvan hij getuigt, of het sublieme kleurgebruik, maar omdat het een authentiek product zou zijn van een „belangrijke voorloper”, een „trendsetter” in de geschiedenis van de stijlontwikkeling.

In de kunsten levert een herbouw of niet-gesigneerde reproductie van het schip van Theseus, zoals mijn litho van Braque aantoont, dus een vrijwel waardeloos product op, terwijl alles wat ‘authentiek’ is – ongeacht hoe klein de intrinsieke waarde ervan ook maar is – voor krankzinnige prijzen wordt verkocht.

Neem bijvoorbeeld het urinoir van Marcel Duchamp, dat volgens The Economist onlangs te koop is aangeboden voor 2,5 miljoen dollar. Waarom niet voor een paar tientjes een nieuw urinoir gekocht, als men dat zo graag in huis wilde hebben? Het antwoord is natuurlijk dat het niemand om de intrinsieke waarde van het werk ging. Het ging om de authenticiteit, de enige bestaansgrond van conceptuele kunst.

Het is schokkend dat mensen bereid zijn zo veel geld neer te leggen voor louter een piketpaaltje uit de kunstgeschiedenis. Waar authenticiteit boven kwaliteit wordt gesteld, is een cultuur decadent geworden. Als auteurschap of historische oorsprong belangrijker zijn dan esthetische waarde, is er geen cultureel ideaal meer, maar slechts nog ijdelheid.

Vroeg of laat zal hier een uitweg uit gevonden moeten worden, en zal de westerse cultuur, die nu al meer dan een halve eeuw tamelijk onvruchtbaar is, zichzelf moeten herwinnen. De schilderijen van Rembrandt zullen over 300 jaar vergaan zijn. Een paar honderd jaar later zullen de werken van Braque volgen. Onherroepelijk komen we daarmee voor de keuze te staan perfecte replica’s te maken en zo deze grootse scheppingen van de cultuur te behouden, of te accepteren dat ze – vanwege onze decadente opvattingen over authenticiteit en individueel auteurschap – definitief van de aardbodem verdwijnen.

Zoals blijkt uit de geregeld ontmaskerde ‘meestervervalsers’ is het wel degelijk mogelijk kunstwerken zó goed na te maken dat nagenoeg niemand het verschil nog ziet – zelfs niet na uitvoerige studie.

Het wachten is dus op de eerste durfondernemer die een replicamuseum opent. Alle werken uit het Louvre, niet van echt te onderscheiden. Aanraken mag. Te koop voor 20.000 euro per stuk.