'Je gaat mee in de maalstroom'

De literaire liefdesverklaring van deze week: museum- directeur Wim Pijbes over De Tijgerkat van Lampedusa.

Wim PIJBES, (1961) Hoofddirecteur van het Rijksmuseum in Amsterdam. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C== Amsterdam, 29 september 2008 ©Vincent Mentzel 2008

‘De Tijgerkat van Giuseppe Tomasi di Lampedusa kreeg ik in de zomer van 2010 van een ‘verstandig iemand’, laat ik die gulle gever zo maar omschrijven. Hij is goed bekend met Italië en doet er veel zaken. Hij gaf me De Tijgerkat omdat het boek zich op Sicilië afspeelt en hij weet hoe dol ik op Italië ben. Niet alleen om de kunst, maar ook om het aangename klimaat, het heerlijke eten en ga zo maar door.

Als directeur van het Rijksmuseum lees ik dagelijks veel. Maar dat zijn meer de gebruikelijke toestanden zoals memo’s en notities. Het is voor mij, hoe jammer ik dat ook vind, ondoenlijk om naast mijn dagelijkse werkzaamheden literatuur te lezen. Ik probeer het jaarlijks in te halen aan de rand van het zwembad, of in de campingstoel. Op vakantie kom ik echt tot rust en lees ik tussen de vijf en zes boeken.

Deze zomer las ik De Tijgerkat uit. Ik was er in de zomer van 2010 aan begonnen. Door de ogen van hoofdpersoon Don Fabrizio Corbèra, de prins van Salina, ben je als lezer aandachtig toeschouwer bij een belangrijke episode uit de Italiaanse geschiedenis. Het is 1860, het jaar dat Garibaldi strijdt voor de eenwording van dat land.

Door die eenwordingsstrijd komt in De Tijgerkat een interessant kenmerk van Italië bovendrijven. Italië is, als je het mij vraagt, een raar land. Met name door de regionale verscheidenheid. Dat streekeigene komt ook nadrukkelijk naar voren in het boek van Tomasi di Lampedusa. In de bijzinnen wordt de Italiaanse koning aanhoudend omschreven als iemand die van elders komt.

De taal van Tomasi di Lampedusa is ook prachtig. Ik houd erg van mooie, rijke taal – een kenmerk van grote literatuur. De Tijgerkat behoort daar mijns inziens zeker toe. Het boek heeft een vertragend ritme in zijn beschrijvingen: gebeurtenissen worden zo minutieus verteld. De schrijver gebruikt twee pagina’s om een voorval te beschrijven dat in werkelijkheid slechts enkele secondes duurt.

Wat mij heel erg bij is gebleven van het boek is de lijdzaamheid van de oude Siciliaanse aristocratie. Die wordt meegevoerd in de maalstroom van de geschiedenis. Don Fabrizio weet niet goed raad met de nieuwe tijd. Tancredi daarentegen, zijn pupil, sluit zich aan bij Garibaldi, trouwt gunstig en zal een hoge positie gaan bekleden in de nieuwe Italiaanse staat.

De rode draad van het boek – hoe blijf je trouw aan je eigen idealen in tijden van nieuwe ontwikkelingen – sprak me erg aan. Het Rijksmuseum is voor de buitenwacht het ministerie van de goede smaak, maar ook wij moeten mee in de hijgerigheid en het populisme van deze tijd. Om die vertaalslag te kunnen maken is het verschil tussen hoge en lage cultuur komen te vervallen. Zo heeft het Rijksmuseum recentelijk een vliegtuig aangeschaft. Een Koolhoven-vliegtuig. Technisch superieur. Ook hebben we het originele ontwerp voor de omslag van Ik, Jan Cremer in het Rijksmuseum tentoongesteld, evenals de tekeningen Dick Bruna. Zolang deze zogenaamde lage kunst iets zegt over deze tijd wil ik er best in mee gaan. Uiteindelijk is het Rijksmuseum ook het museum van de Nederlandse kunst en geschiedenis.

Dat er vandaag de dag dingen aan het veranderen zijn, lijkt me duidelijk. Ik denk dan aan Mark Rutte en Geert Wilders die in de Tweede Kamer naar elkaar roepen ‘doe effe normaal man’. Daarmee wil ik overigens niet zeggen dat ik nieuwe ontwikkelingen verafschuw. Dat is zeker niet zo. Ik vind ze ook gewoon heel erg interessant.”