'Ik heb een heleboel nieuwe adem'

‘Dichter des Vaderlands’ houdt meer in dan dichten. Ramsey Nasr kritiseerde het beleid van Rutte en van Israël ten aanzien van de Palestijnen. Hij voelt zich inmiddels thuis in ‘rumoerig’ Amsterdam: „Alles is nieuw, ik heb een heleboel nieuwe adem.”

Nederland, Amsterdam, 15-11-2011 Dichter des vaderlands Ramsey Nasr tevens acteur, schrijver en performer, met de Nederlandse vlag. Van de eerste twee jaar dat hij dichter des vaderlands is is een bundel verschenen met de titel: Mijn nieuwe vaderland. foto: Bram Budel Bram Budel

Hij schrijft de laatste tijd wat minder, als Dichter des Vaderlands, beaamt Ramsey Nasr (37). „Bepaalde gedichten kun je niet blijven schrijven, dan wordt het gratuit. Ik ging mezelf herhalen, vond ik bij het schrijven van ‘Het lentekanon’ [over de schutter die in april van dit jaar een bloedbad aanrichtte in Alpen aan de Rijn, red.]. Ik wil ook niet de nationale rampendichter worden. Dus nam dat gedicht een andere wending en heb ik me de laatste tijd op iets anders gericht.”

Dat andere, dat zijn in eerste instantie opiniërende prozastukken. Zoals zijn toespraak bij een manifestatie op het Malieveld in Den Haag op 27 juni dit jaar, waarin hij zei dat het kabinet Rutte wil dat de Nederlandse cultuur, aan de krachten van de markt overgeleverd, gehoorzaamt aan ‘de wetten van het dier’. Andere stukken gaan over het Israëlisch-Palestijns conflict, de Nederlandse rol daarin en zijn enthousiasme voor de Arabische lente.

„Ik schrijf die opiniestukken niet als Dichter des Vaderlands, dacht ik eerst. Maar of je wilt of niet – uit de reacties blijkt dat het daar toch op terugslaat. Dat klinkt misschien potsierlijk – het instituut Dichter des Vaderlands is tenslotte ooit min of meer als grap begonnen. Maar mensen schrijven me serieus: ‘mag een Dichter des Vaderlands zich daar wel mee bemoeien?’ en ‘mijn Dichter des Vaderlands ben je niet meer’. ’’

Die opiniestukken staan nu broederlijk verenigd met de poëzie in de zojuist verschenen bundel Mijn nieuwe vaderland. Gedichten van crisis en angst. De dichter Nasr betoont zich niet minder opiniërend dan de schrijver van opiniestukken.

In ‘in het land der koningen’, een van de eerste in deze krant gepubliceerde gedichten na Nasrs uitverkiezing tot Dichter des Vaderlands in januari 2009, constateert hij naar aanleiding van de aanslag op de koninklijke familie afkeurend: ‘in dit rood, rood schemerland / waar de grenzen totaal werden opgeheven / [...] / daar ontstaat vanzelf een nieuwe orde /..’

Als in januari 2010 een commissie uitvindt dat premier Balkenende de Kamer in 2003 onvolledig heeft ingelicht over de Nederlandse steun aan de inval in Irak, voegt Nasr de premier toe: ‘hoe voelt dat, om als christendemocraat / de zijde van herodes te verkiezen’. In oktober 2010 schrijft hij onder de titel ‘Mijn nieuwe vaderland’ een pastiche op het 19de-eeuwse volkslied ‘Wien Neêrlands bloed in d’aders vloeit’, naar aanleiding van het aantreden van het kabinet Rutte, na ‘een reeks onfrisse politieke manoeuvres’: ‘Veel liever word ik door een volk / van hunnen aangerand / dan mee te gaan in deze kolk / van schoft en vaderland.’

Snoeihard

U hebt zich direct na uw aantreden niet alleen als Dichter maar ook als Gesel des Vaderlands ontpopt, opper ik. Daar moet Nasr om lachen. Hij trekt uit een van zijn welvoorziene boekenkasten de bloemlezing ‘Spiegel der Nederlandse poëzie’ van Victor van Vriesland tevoorschijn, en slaat open bij ‘P.P.C.’ van E. du Perron, uit 1941. „Het is een genadeloos gedicht, en me altijd bijgebleven als exempel van wat met poëzie mogelijk is. Snoeihard. Als ik het verwijt krijg dat poëzie gebaat is met meerduidigheid en dat elke andere benadering in een pamflet ontaardt of gewoon slecht is, dan trek ik me op aan gedichten als dit.”

‘P.P.C.’ (afkorting voor Pour prendre congé) is een ongemeen scherp afscheidsgedicht voor een geliefde, die de auteur heeft ingeruild voor een meer gefortuneerde partij: „Gij hebt u goed verkocht”. Het vers eindigt met: „Gij zijt uzelf. Ik minacht u volkomen.”

Is het de wraakzucht die hem hier aantrekt? „Nee, wraak blijft klein. Het gaat me om wat poëzie vermag: dat degene die iets na zeventig jaar leest, er nog door geraakt kan worden. Het is de macht van het woord, de kracht van de machteloze, een manier om verder te kunnen gaan. Het is natuurlijk een misverstand om te denken dat poëzie de uiting van gevoelens is, maar het kan wel ontstaan uit gevoelens.

„Als ik een opiniestuk schrijf dan wind ik me op over iets in de krant of op de televisie, of iets wat ik om me heen ervaar. Borrelende wraak of andere negatieve gevoelens bieden op zichzelf natuurlijk geen uitweg. Maar als je een stuk schrijft, je argumenten wikt en weegt en het wordt gepubliceerd, dan kan ik bijna blij zijn. Woede is een bord dat je in de lucht houdt, maar een stuk is een constructie, een beredenering van de woede. Door iets op te schrijven doe je er iets mee dat groter is dan jezelf”.

Na zijn uitverkiezing tot Dichter des Vaderlands verruilde Nasr zijn woonplaats Antwerpen, waar hij in 2005 Stadsdichter was, voor Amsterdam. Hij had lang geaarzeld, vertelt hij. „De sfeer is hier hectischer. Iedereen is hier assertief, de leukste thuis. In een Antwerps café kwam je ook meer verschillende soorten mensen tegen, leek het, het is er bonter. Ik vond Vlamingen toen ook oprechter, warmer en minder bang voor barokke uitingen. De Vlaamse cultuur lijkt wel te bestaan bij gratie van een bewust in stand gehouden naïviteit, en dat had ik rond mijn 20ste nodig om niet ten prooi te vallen aan cynisme en hardheid, en me te ontplooien. Ik woonde in een straat waar nooit wat gebeurde, in mijn eigen cocon.”

Maar eenmaal in Amsterdam gingen hem ogen en oren open. In afwachting van een eigen woning vertoefde hij een paar weken in de woning voor de writer in residence aan het Spui. „Ik lag in mijn bed met de ramen open en hoorde het rumoer van het plein, de tram, het gebrul. Ik genoot daar intens van en dacht: nu heb ik dit nodig. De impulsen. Alles is nieuw, ik heb een heleboel nieuwe adem.”

Kunstbezuinigingen

Dat doet niet af aan Nasrs verbijstering over de actuele toestand van Nederland, waarvan hij in zijn werk getuigt. De kunstbezuinigingen bijvoorbeeld: „Ik neem het de politici zeer kwalijk dat zij er in geslaagd zijn de discussie terug te brengen tot het niveau van ‘subsidieslurpers, portemonnee openhouden’ en dergelijke. Het had moeten gaan over het belang van kunst.”

Er is, denkt hij, een reden dat de kunsten als eerste het loodje leggen in de bezuinigingen: op die manier wordt ook kritiek gesmoord. „Ik ben benieuwd wat er gebeurt als de mensen die nu nog staan te juichen ook door de bezuinigingen getroffen worden. Er is een stemming geschapen waarin de zwakkeren en kwetsbaren zelf maar hun boontjes moeten doppen. En intussen wordt beloofd dat de allerzwaksten zullen worden beschermd. Terwijl dat niet waar is.”

Ook niet vrolijk wordt Nasr van de toon die over hem wordt aangeslagen op sites als GeenStijl en in sommige brieven, en waarbij zijn achternaam – hij is de zoon van een Nederlandse moeder en een Palestijnse vader – dankbare ammunitie vormt. „Puur racisme vaak. Voor het eerst in mijn leven ervaar je dat je een allochtoon bent. Je gaat vanzelf de Marokkaanse meisjes die uit protest een hoofddoekje gaan dragen, iets beter begrijpen. Typisch Hollands protestgedrag trouwens: de hoofddoekjes zijn in Nederland óók de hotpants van onze dagen.”

Een van de redenen voor de vreemde sfeer in het vaderland – waarin bijvoorbeeld een minister van Financiën er prat op gaat dat hij in internationale contacten zo heerlijk ‘bot’ kan zijn – is, denkt Nasr, het gebrek aan historisch bewustzijn. Of daar een taak ligt voor de DdV, in het laatste jaar dat hem nog rest in deze functie, beaamt hij niet. Maar het lijkt hem nu een nuttiger taak dan die als rampendichter. Hij broedt – de rest is nog geheim.

Mijn nieuwe vaderland. Gedichten van crisis en angst verscheen bij de Bezige Bij (176 blz., €16,50)