'Ik doe niet meer mee met dat gehak op tv'

Sportschrijver Hugo Borst stopte een jaar geleden met televisie omdat hij overwerkt was. Televisie hoeft niet meer zo. Vandaag verschijnt zijn boek Kappen: „In mijn diepste wezen ben ik een schrijver.”

Als Hugo Borst (49) op een nacht in parkeergarage Byzantium in Amsterdam naar zijn auto loopt, wordt hij staande gehouden. Een Marokkaan, gouden tand en in wit trainingspak, herkent hem.

Borst houdt van Marokkanen. Brutale jongens, goede voetballers. Ze raken in gesprek. Over waarom Marokkanen toch zo goed iemand door de benen kunnen spelen.

De Marokkaan wil het best even voordoen. Zonder bal, in de parkeergarage. Lichamen tegen elkaar. Schouder naar achter, dan draaien en zo hup tussen de benen door.

Als Borst weer naar zijn auto terugloopt, nog een laatste ding.

„Hugo!”, schreeuwt de Marokkaan. „Waarom ben je eigenlijk niet meer op televisie?”

„Ik schrijf liever.”

„Maar daar kun je toch geen geld mee verdienen?”

„Ach, alsof geld zo belangrijk is.”

„Inderdaad. Hier heb je je portemonnee terug. Beetje opletten voortaan, hè?”

Hij heeft het te danken aan zijn „open gemoed”, vertelt Borst, dat hij zijn portemonnee terugkreeg. „Ik sta iedereen te woord die me herkent en aanspreekt. Prima, maar er wordt wel altijd een claim op je gelegd. Dat kost ontzettend veel energie.”

Een jaar geleden stopte schrijver, documentairemaker en voetbalanalist Hugo Borst abrupt met televisie. Hij gaf zijn baan als tafelgast bij Studio Voetbal en De wereld draait door op en staakte de opnames van een nieuwe serie voor het televisieprogramma Over vaders en zonen. Hugo Borst was overwerkt.

Deze zondagmiddag in zijn ‘schrijfhok’, een herenhuis in de Rotterdamse Witte de Withstraat, is daar weinig meer van terug te zien. Borst is goed gekleed, vrolijk. Uitgeslapen. Soms gaat hij halverwege een zin even liggen op de lange, bruinleren chesterfield. De schoenen zijn uit.

Vandaag verschijnt zijn boek Kappen, een bundeling van de beste voetbalcolumns die hij vanaf 1995 voor het AD schreef. Sinds kort schrijft hij een dagelijkse kroniek in het AD, die niets meer met voetbal te maken heeft. Borst is één van de hoofdredacteuren van literair voetbaltijdschrift Hard gras en schreef meerdere boeken over voetbal. Nu heeft hij plannen voor een novelle. „In mijn diepste wezen ben ik een schrijver. Ik kan weer de tijd vergeten. Denken dat ik twee uur aan het schrijven ben, en het er vier blijken te zijn.”

Wat gebeurde er?

„Ik was moe. Zo ontzettend moe. Ik had er geen zin meer in. Ik ben naar de dokter gegaan. Die vertelde: je werkt te hard, je zit tegen een burn-out aan. Toen heb ik een pauze ingelast. Een maandje of twee was ik van plan. Maar na een paar dagen was ik zo opgelucht, dat ik dacht: ik knijp er helemaal tussenuit.”

Had u genoeg van het voetbal?

„Ik voelde me iemand die tegen windmolens aan het vechten was. De voetbalwereld is knettergek, megalomaan, hypocriet, dictatoriaal. Er is niet tegen te vechten. En ik heb nou eenmaal iets dominee-achtigs in me. Ik ben een afschuwelijke moralist. Maar als je voortdurend iemand de maat neemt en je ziet dat het niks oplevert, dan moet je opgeven. Ik liep in een doodlopende straat.”

U viel in herhaling?

„Ja. Ik dacht, wat ik nu over Van Gaal ga zeggen, heb ik toch echt al zeventien keer verteld. Wéér dat geblaf van die man. Als je Cruijffs machtspelletjes ziet, hoe vaak hebben we dat nou al niet meegemaakt? Ik vond dat veroordelen niet bepaald een verrijking van mijn leven. Het is naïef om te denken dat er ook echt iets verandert door wat jij roept. Je hoopt iemand te raken met een opmerking. Maar je irriteert hem juist. Ze halen hun schouders op over al die snorren en snotneuzen op televisie.”

Wat verwachtte televisie van u?

„Je moet een dwars iemand hebben aan tafel, anders wordt het te braaf. Dat opstandige zit in me. Als ik het conflict of de hypocrisie zie, dan vlieg ik erin. Dat is het temperament dat ik van mijn moeder heb. Maar achteraf werd ik soms te persoonlijk. Te zwart-wit in mijn mening. Als ik daar nu over nadenk; ik ben heel vaak ongelukkig naar huis gereden na Studio Voetbal. Ik was steeds vaker teleurgesteld over het niveau. Teleurgesteld in mezelf.

„Televisie heeft een valkuil, het maakt een karikatuur van mensen. Als ik continu negatieve oprispingen uit, dan ben ik die negatieveling. Dat is de pest als je in soundbites discussieert. Dan blijft dat beeld hangen. Zo ben ik helemaal niet. Ik probeer altijd te zoeken naar het mooie of ontroerende in een situatie of een mens. Tv is daar niet het medium voor. Televisie is vaak een trucje.”

Ging u zich naar de karikatuur gedragen?

„Soms had ik een genuanceerde mening, en dan waren mensen echt teleurgesteld. Wat was je mild, krijg je dan te horen. Het publiek verwacht dat je alleen maar hakt, hakt, hakt.”

Mist u het niet, uw mening kunnen uiten voor een groot publiek?

„Geen moment. Ik verlang naar de anonimiteit. Ik doe nog wel kranteninterviews, maar ga ook niet bij DWDD over mijn boek praten. Weg met de hypes en de soundbites. Ik heb genoeg van die hele cultuur van BN’ers die over de euro en de PVV mogen meepraten. Natuurlijk hebben ze er ook een mening over, maar debiteer dat lekker op verjaardagen.”

Dat deed u zelf toch ook als tafelheer bij De wereld draait door?

„Ik heb een aantal keer gedacht, wat doe ik hier aan tafel? Ik heb het recht niet om met mijn lullige havo-diploma mee te praten over zaken waar ik nauwelijks iets van weet.”

Waarom ging u er dan toch zitten?

„In het begin genoot ik van op tv komen. Maar die ijdelheid werd minder, toen ik zag dat ik over steeds meer dingen moest meepraten waar ik niks van wist. Ik begon me meer en meer te ergeren. Ook aan mezelf. En altijd maar de waan van de dag. Is er net een economische meevaller, komt Willem Middelkoop [econoom en vaste gast bij DWDD] vertellen hoe het allemaal weer fout kan gaan. Er wordt op een hysterisch, primair niveau gesproken. Alles moet in 9 minuut 20, en dan moeten er drie mensen aan het woord.”

Is dat niet hoe de tv-wereld werkt?

„Natuurlijk. Maar voor mij even niet. Televisie heeft te veel impact, ik word er onrustig van. Het is me te groot. Ik heb geen zin meer in de reuring, het geouwehoer. Laat mij maar een documentaire maken. Lekker koffie drinken met mijn vrienden of door Rotterdam slenteren. En dan af en toe even stoppen, om te lunchen of te schrijven.”