Ik ben geen bezemsteelplafondbonker

Net voordat ik mijn bedlampje uitknip, begint het. Een doffe, onregelmatige beat, zuigende, elektronische geluidseffecten en een bliepende melodielijn klinken dwars door het Japanse rijstpapier dat mijn plafond heet.

Mijn bovenbuurman heeft muziek opgezet.

Zodra ik de eerste maten drum-’n-bass hoor, blijf ik als versteend liggen en onderdruk de hardnekkige neiging om iets in mijn oren te stoppen, iets wat binnen handbereik is, wat dan ook, een kussen, een boek, een theekopje. En probeer na te denken: zelf zie of spreek ik de bovenbuurman bijna nooit. Zijn huisgenoten hebben gezegd dat als ik ergens last van heb, ik gewoon even met een voorwerp tegen het plafond moet tikken.

Dat is dus mijn optie: met een bezemsteel tegen het plafond aan bonken. Nog los van het feit dat dit mij een bezemsteelplafondbonker zou maken – en iedereen weet dat bezemsteelplafondbonkers hele eenzame, ongelukkige en vanlotjegetikte mensen zijn – weet ik nu al dat ik geen bezemsteel of ander bruikbaar voorwerp zal pakken. Wat ik namelijk nóg vervelender zou vinden: er iets van zeggen, waarna er niets gebeurt.

Hetzelfde principe ervaar ik in een bioscoop: het gebeurt met enige regelmaat dat er drie meisjes achter me zitten, die hardop kletsen, giechelen, elkaar aanstoten met rinkelende armbanden en elkaar sms’jes van boyzzz voorlezen, terwijl dat niet helemaal strookt met de thematiek van de film (zeg: Paranormal Activity 3). Hoewel het heerlijk zou zijn als ze hun mond zouden houden, of – beter nog – eenzaam onder een stoel doodsangsten uit zouden staan, probeer ik ze toch zo goed als het gaat te negeren.

Het punt is: in dit stadium bestaan de meisjes nog uit ‘zomaar wat luidruchtige pubermeisjes’. Als ik me omdraai en vriendelijk vraag: „Zouden jullie wat stiller willen zijn? Bedankt hoor!”, waarna ze nog steeds doorgaan (en die kans is vrij aanwezig), veranderen ze in ‘luidruchtige pubermeisjes die mij doelbewust kapot willen maken’.

Op dat moment is alles wat ze doen een rechtstreekse aanval op mij. Elke giechel is een dolksteek, elk voorgelezen sms’je een gerichte sneer. Daarna zal ik álles horen wat ze doen, me afvragen of ik nog een keer iets moet zeggen, de optie overwegen om een patroon van platgekauwde kauwgombolletjes in hun jas te plakken en me in stilte opvreten van ergernis – en is Paranormal Activity 3 voorgoed verloren.

En daarom pak ik niet de bezemsteel erbij. Nu kan ik nog denken: goed, voor mij komt het wat minder handig uit, maar gelukkig heeft mijn bovenbuurman een heerlijke tijd, zo om één uur ‘s nachts met zijn drum-’n-bass. Als ik bonk en hij negeert dat, zal de muziek aan gaan voelen alsof de box rechtstreeks op mij is gericht, en hij er naast staat – met een bulderlach.

Geluid wordt pas écht overlast als je denkt dat de veroorzaker een slecht mens is.

Renske de Greef