Hoezo, platte wereld?

Twintig procent van het bruto wereldproduct wordt geëxporteerd. Dat valt mee! In tijden van paniek relativeert een knap boek de mate van internationale verstrengeling.

Pankaj Ghemawat: World 3.0. Global Prosperity and How to Achieve It. Harvard Business Review Press, 386 blz. € 30,-

Veel mensen zijn bang voor de globalisering, en de voortwoekerende crisis van de euro maakt ze met de dag banger. De rating agencies cirkelen als aasgieren rond boven de eurozone, en als een tsunami dreigt de globalisering onze vertrouwde economische zekerheden te verzwelgen. De Indiase econoom Pankaj Ghemawat, die twintig jaar verbonden was aan Harvard Business School en thans hoogleraar global strategy is in Barcelona, noemt deze voorstelling van zaken veel te simplistisch.

In werkelijkheid, betoogt hij in zijn nieuwe boek, is er veel minder globalisering dan de meeste mensen denken. Eerste-generatie-immigranten vormen bijvoorbeeld minder dan 4 procent van de wereldbevolking. Niet meer dan 2 procent van alle studenten studeert buiten het eigen land. Negentig van de honderdmensen in de wereld blijven in hun geboorteland. Economische globalisering scoort wat hoger: 20 procent van het bruto wereldproduct wordt geëxporteerd en 25 procent van de banktegoeden zit in een ander land dan de eigenaar. Met het oog op de eurocrisis is het ten slotte interessant dat staatsschulden het hoogst scoren: 35 procent is in het bezit van buitenlandse banken en particulieren. Van het internetverkeer, het boegbeeld van de globalisering, overschrijdt slechts 18 procent nationale grenzen.

De grondregel is dat kapitaal mobieler is dan goederen, en goederen mobieler zijn dan mensen. Alleen kennis past niet in dit patroon. Dat komt doordat je kennis over de grens kunt sturen zonder haar kwijt te raken. Door de bank genomen is 90 procent van de toename van de productiviteit in een willekeurig land afhankelijk van buitenlandse technologie.

Volgens Ghemawat worden we misleid door twee spookbeelden: aan de ene kant de populistische nostalgie naar de oude vertrouwde wereld van de nationale staten (World 1.0) en als spiegelbeeld daarvan het beeld van een totale globalisering waarin nationale grenzen er niet meer toe doen (World 2.0). Ghemawats alternatief is World 3.0, een gedeeltelijk geglobaliseerde wereld waarin afstanden, staten en grenzen wel degelijk betekenis hebben, óók economisch. Landen met een gemeenschappelijke taal voeren 40 procent meer handel met elkaar dan vergelijkbare landen zonder gemeenschappelijke taal. Voormalige koloniën voeren bijna twee keer zoveel handel met hun oude moederlanden als met andere landen. Iedere procent extra geografische afstand leidt tot een procent minder handel.

Ghemawats favoriete boksbal is de Amerikaanse journalist Thomas Friedman die in The World is Flat (2005) de algehele globalisering voorstelt als een gelopen race. ‘Globaloney’ noemt Ghemawat dat. Na fact-free politics krijgen we bij Friedman data-free analysis: veel journalistieke voorbeelden en pakkende oneliners, maar geen harde cijfers. De platte-wereld-ideologie heeft echter veel aanhang. Vrijwel alle mensen in de zakenwereld met wie Ghemawat sprak, overschatten de mate van globalisering, soms met tientallen procenten.

Regionalisering

Daar komt volgens hem nog bij dat veel vermeende globalisering feitelijk regionalisering is. Als we bijvoorbeeld de Europese Unie, of de eurozone, als één land zouden opvatten, verdwijnt er een heel stuk ‘globalisering’. Binnen de afzonderlijke Europese landen zien we een soortgelijk patroon. De Duitse deelstaten drijven vier tot zes keer zoveel handel met elkaar als met de rest van Europa. Ouderwetse geografische afstanden en grenzen zijn dus nog steeds economisch relevant.

Dat betekent natuurlijk niet dat de economische betrekkingen tussen Europa en de rest van de wereld onbelangrijk zijn, maar wel dat er binnen de Europese Unie, en zeker binnen de eurozone, nog heel wat meer handel en kapitaalverkeer mogelijk is dan we nu hebben. Ghemawat, die marktintegratie als een positieve ontwikkeling ziet, verwacht daar veel van, ook in andere delen van de wereld. De remmende factoren zijn regionale netwerken, taalgrenzen, valutarisico’s en andere obstakels zoals regels over veiligheid en verpakking. Canadese snoepjes komen bijvoorbeeld de VS niet in zonder een ingrediëntenlabel dat tot op de millimeter de Amerikaanse voorschriften volgt. In de Europese Unie staat de grensoverschrijdende erkenning van vakdiploma’s nog in de kinderschoenen en er zijn uiteraard belangengroepen die dat graag zo houden.

Voor de beoordeling van de eurocrisis zijn dit soort overwegingen zeker relevant. De Europese Unie, nu al een van de grootste koopkrachtige markten in de wereld, heeft nog een groot potentieel voor verdere expansie. Het beruchte financiële ‘wereldkapitaal’ is daarentegen zwakker dan veel mensen denken. Het kan Europa helemaal niet ‘laten vallen’, want waar moet het dan heen? Als Europa eensgezind optreedt en onder leiding van Merkozy de euro keihard verdedigt, is er geen macht ter wereld die de Europese munt ten val kan brengen.

Ghemawats visie heeft ook consequenties voor de economische politiek. De woordvoerders van World 2.0 beweren dat globalisering en deregulering een Siamese tweeling vormen. Het een gaat niet zonder het ander. Maar volgens Ghemawat wordt de echte wereld (model 3.0) juist gekenmerkt door een mix van marktintegratie en regulering. Staten en federaties van staten, zoals de Europese Unie, moeten die mix zo inrichten dat ze optimaal gebruik maken van de kansen die hun geografische en culturele plaats in de wereld ze biedt. Over de hele linie reguleren en over de hele linie dereguleren is allebei rampzalig.

Deze visie staat haaks op de ideologische tweedeling die het openbare debat in de meeste tv-programma’s tot een zinloze uitwisseling van simplistische gemeenplaatsen heeft gemaakt. Ghemawat heeft de meeste twijfels over de financiële markten en hij neemt afstand van de neoliberale ideologie van Milton Friedman. De recente crises laten zien dat markten wel degelijk kunnen falen. Dat moet gecorrigeerd worden door behoedzame en verstandige regulering. Ghemawat meent dat de handel in zogenaamde derivaten uit de hand is gelopen. Ze waren uitgevonden om de risico’s in onstabiele markten te beheersen, maar intussen is de nominale waarde van deze derivaten gestegen tot een groter bedrag dan het gehele financiële wereldvermogen. Daar is geen rationeel doel meer mee gediend.

Succesformule

Een geharnast criticus van de markt is Ghemawat echter bepaald niet. De geringe diepgang van de huidige globalisering toont volgens hem aan dat er nog een wereld te winnen is. Ik denk dat hij daar voor een groot deel gelijk in heeft, maar hij gaat iets te gemakkelijk voorbij aan de lessen van de economische geschiedenis. Die laten zien dat de succesformule van vrijwel alle thans rijke industriële machten bestond uit ‘behoedzaam protectionisme’. Niet te veel, want dan snijdt een land zich af van de wereldmarkt. Maar ook niet te weinig want dan worden vitale economische sectoren kapot geconcurreerd. Alleen landen met een absoluut concurrentievoordeel, zoals Engeland in het Victoriaanse tijdperk, of doorvoereconomieën, zoals Nederland, volgden een vrijhandelspolitiek. De Zwitserse economisch historicus Paul Bairoch, net zo’n liefhebber van harde feiten als Ghemawat, heeft dat keurig voor ons nagetrokken (Economics and World History, 1993). Het hedendaagse gematigde protectionisme is zwakker dan in de 19de eeuw, maar het is niet verdwenen. De Verenigde Staten, de Europese Unie, China en Japan, ze brengen het allemaal in de praktijk.

Ten slotte bespreekt Ghemawat de rol van culturele factoren. De ‘McDonaldisering’ van de wereld wordt volgens hem net zo overschat als de economische globalisering. Zelfs McDonald’s past zijn hamburgers aan de lokale cultuur aan: in Chili zit er avocado bij, in Polen mierikswortelsaus en in Korea bulgogi-marinade. Er bestaat wel een mondiale consumptiecultuur, maar er is geen sprake van de verdwijning van nationale en regionale culturen. Er ontstaan gewoon nieuwe combinaties.

Net als veel van zijn collega bedrijfskundigen vindt Ghemawat vertrouwen erg belangrijk. Onderzoek wijst helaas uit dat de meeste mensen wantrouwend zijn ingesteld. Van de Europeanen heeft bijna vijftig procent vertrouwen in landgenoten, maar slechts twintig procent vertrouwt andere Europeanen en voor niet-Europeanen daalt het percentage tot veertien. De auteur vindt dat zorgelijk, omdat de Europese economie in de toekomst veel immigratie nodig zal hebben gezien de dalende geboortecijfers onder autochtone Europeanen. Zijn remedie heet rooted cosmopolitism, een open en tolerante grondhouding gecombineerd met een gematigde en niet-exclusieve worteling in de cultuur van het woonland.

Ghemawats ongegeneerde optimisme gaat soms wat kort door de bocht, maar is wel een verademing te midden van de sombere beschouwingen over culturele neergang die de laatste jaren zoveel ruimte in beslag nemen in ons publieke discours.