Hoe Hollands moet je zijn?

Op 70 procent van de vragen die hij kreeg voorgelegd, gaf Al Galidi het juiste antwoord.

Maar Nederlander ben je pas met een score van 74. Formeel althans.

Altijd dacht ik dat ik al ingeburgerd was. De Nederlandse taal is mijn vak. Ik verdien er niet alleen mijn brood mee, maar ook mijn roti-kip en slagroomtaart. En ik ben er zeker tien uur per dag mee bezig.

Ik heb net, voor Nederland, de Europese Unie Prijs voor de Letteren gewonnen met mijn vierde roman De autist en de postduif en daar ben ik zo blij mee – en trots op. Eind deze maand reis ik af naar Brussel om de prijs uit handen van prinses Laurentien te ontvangen.

Soms voel ik me niet alleen Nederlander, maar zelfs helemaal Hollander als ik met iemand spreek die niet weet wie Rutger Kopland, Erik Jan Harmens, Tommy Wieringa of Tsead Bruinja is. En als de literatuur niet genoeg is om te laten zien dat ik een Nederlands burger ben, kan ik het ook bewijzen, want ik ben twee keer Zwarte Piet geweest.

Op vakantie dacht ik zelfs weleens dat ik te ingeburgerd was. Het eerste wat ik altijd doe is vragen waar ik een fiets kan huren.

Kortom, ik dacht dat ik die verkorte inburgeringtoets wel zou halen Wie deze toets op zak heeft, hoeft het langere inburgeringsexamen niet te maken, (zie kader). Ik had me van tevoren een voorstelling gemaakt van de vragen. Onder een fotootje van Van Gogh de vraag: Welk lichaamsdeel heeft deze kunstenaar afgehakt?

a. zijn penis

b. zijn tong

c. zijn oor

d. zijn internetkabel

Of onder een foto van de Nachtwacht de vraag: Wie schilderde dit schilderij?

a. Gaddafi

b. Picasso

c. J.P. Balkenende

d. Rembrandt

Of: Op 11 november wordt er aangebeld. Er staan kinderen met lichtjes voor de deur. Ze zingen Sint Maarten, Sint Maarten, de koeien hebben…

a. taarten

b. rondvaarten

c. ov-chipkaarten

d. staarten

Het liep net even anders. Het examen bestond uit dertig vragen waarvoor ik vijfenveertig minuten de tijd kreeg. Ik vroeg de examinator of ik pen en papier mocht gebruiken. Ze keek me aan en zei rustig en langzaam: „Dat is absoluut verboden.” De nadruk lag duidelijk op „absoluut”, terwijl ik het toch netjes had gevraagd. Niet dwingend of smekend.

Ik legde uit dat ik de vragen waar ik niet meteen een antwoord op wist wilde noteren. Zij legde mij uit dat de vragen die ik niet beantwoordde boven in het scherm grijs zouden blijven. De vragen die ik wel beantwoordde zouden oranje worden. Voor het examen begon, waarschuwde ze me nog. „Let op de tijd. Die vijfenveertig minuten kunnen snel omvliegen.” De toets begon.

De meeste vragen werden voorafgegaan door een filmpje over de Marokkaanse Mo en Amal en hun families. Ik denk eerlijk gezegd dat half Nederland zich zou schamen voor die filmpjes en ik weet niet wat Marokkanen zouden denken als zij ze zouden zien. Mo en Amal weten niet eens het verschil tussen een bus- en een treinkaartje! Na elke film volgde een stuk tekst en dan een aantal multiplechoicevragen.

Bij de vijfde vraag aangekomen, zag ik dat meer dan de helft van de tijd al verstreken was. Ik moest nog vijfentwintig vragen beantwoorden! De proefvragen op internet waren simpel geweest, maar de vragen in de toets waren voor mij een verrassing. Tien ervan konden alleen door een vrouw beantwoord worden. Ik weet niet wanneer een vrouw ongesteld wordt na een miskraam, want ik ben nooit zwanger geweest – ik kan het bewijzen – en heb nooit een miskraam gehad.

Ook waren er vragen als: Mo, heeft een uitkering en wil zijn zoontje naar de crèche laten gaan. Wie betaalt daarvoor? Ik heb gelukkig geen uitkering en ik ben nooit in een crèche geweest.

Volgende vraag: Mo en Amal hebben een huis van de woningstichting. Als de kosten hoger zijn dan hun uitkering, wat zal er dan gebeuren? Ik heb nooit een huis van de woningstichting gehad. Alweer een vraag over een situatie die ik niet kende.

Er waren geen vragen over Nederland, over molens, de Dam, de grachten. Ik miste vragen over kermis, carnaval en dat kleine café aan de haven. Ik kwam Vermeer of André Hazes niet tegen en ook Herman Brood niet, langs wiens geboortehuis in Zwolle ik vaak loop. Eén vraag ging over vijf mei. Die beantwoordde ik snel.

En weer keek ik naar films en las ik teksten om de vragen zo goed mogelijk te beantwoorden. Om eerlijk te zijn: ik weet niet wat hbo en cao is. Er stonden nog meer afkortingen in de vragen. De tijd ging snel. Elke seconde hapte het horloge weer een stukje af van mijn burgerschap.

Soms zat de computer een paar seconden vast, belangrijke seconden om burger te kunnen worden. Een herkansing zat er niet in, want deze toets mag je slechts een keer doen, niet vaker.

Na veertig minuten was ik bij vraag achttien en volgde ik het advies van de vrouw op: lees de vragen niet meer, maar gok gewoon. Ik maakte alle grijze vragen nog snel oranje.

Afgelopen vrijdag kreeg ik post. Ik opende de brief: 70 procent goed. Ik riep het uit: yes! Eindelijk een burger! Maar een stukje naar rechts stond er: niet geslaagd. De norm is 74 procent. Even stond ik stil bij die gedachte en staarde ik in de grijze lucht. Als het de bedoeling van de toets is dat je je thuis voelt in dit land als je slaagt en als je niet slaagt dus niet, ben ik alsnog geslaagd.

Nu moet ik alsnog een volledige inburgeringcursus volgen. Ik moet Mo worden. Of misschien Amal.

Negen jaar lang moest ik in asielzoekerscentra wachten om mijn ‘asielzoekerheid’ te bewijzen – om te bewijzen dat ik een burger ben kreeg ik slechts drie kwartier.

Jammer. Toch?