Het rammelgeluid van The Faces, die elke hotelkamer in puin sloegen

Bij de zoveelste sloop van een hotelkamer zou de lezer van deze oeverloze biografie van The Faces verveeld kunnen raken. Maar dan heeft hij inmiddels in hetzelfde boek al vijf biografieën achter de rug van een van de weinige groepen die het vuur van de rock ‘n’ roll brandend hielden.

Andy Neill: Had Me a Real Good Time. Faces before during and after. Omnibus Press. 498 blz. € 27,50

‘Gruizig’ is een begrip dat popcritici omstreeks 1970 nog niet gebruikten. Maar gruizige popmuziek bestond natuurlijk toen al wel. Sterker nog, The Faces, die in de jaren 1969-1975 bijna net zo groot werden als The Rolling Stones, zijn de gruizigste groep aller tijden.

Hun gruizigheid had een eenvoudige reden: geen van de vijf Faces was een virtuoze muzikant. „Niemand van ons was briljant”, laat de Britse muziekjournalist Andy Neill Faces- bassist Ronnie Lane zeggen in Had Me a Real Good Time: Faces before during and after. Ook Rod Stewart beweert in de biografie van The Faces, genoemd naar een Faces-nummer, over zichzelf: „Ik ben geen groot zanger”.

Van hun beperking maakten The Faces hun kracht: hun rammelende geluid is vaak geïmiteerd door latere groepen als The Black Crowes, maar nooit overtroffen. Dat komt vooral doordat hun „losheid en verfijning” zoals Neill het noemt, werd bekroond met de schorre zang van Rod Stewart, een van de onwaarschijnlijkste stemmen in de popmuziek.

Met Had Me a Real Good Time heeft Neill, die eerder al de geschiedenis van The Who schreef, een uiterst gedetailleerde, om niet te zeggen oeverloze biografie van The Faces geschreven. Weliswaar kreeg hij drie van de vijf Faces niet te spreken – gitarist Ron Wood en Rod Stewart wilden vermoedelijk niet, en Ronnie Lane overleed al in 1996 aan multiple sclerose – maar hij heeft alle interviews die ooit met hen zijn gehouden opgediept. Wel sprak hij uitgebreid met de overige twee Faces, toetsenspeler Ian McLagan en drummer Kenny Jones, en vele, vele anderen rondom de koningen van de dronkemansrock, onder wie ex- vrouwen en -vriendinnen, familieleden, managers, roadies en producers. Hij voert ze allemaal sprekend op, zodat ongeveer de helft van The Faces-biografie uit citaten in spreektaal bestaat.

Eigenlijk omvat Had Me a Real Good Time vijf biografieën. Van elk van de Faces beschrijft Neill uitvoerig hun jeugd en hun studiejaren – de meeste Faces gaan naar de art school, in Engeland de beste opleiding tot rock ’n’ roller. Ook de vele bandjes waarin ze van jongsafaan spelen, behandelt hij uitgebreid. Samen met Steve Marriott komen Lane, McLagan en Jones ten slotte in The Small Faces terecht om met onder meer ‘Itchycoo Park’ en ‘Lazy Sunday’ grote hits te scoren. Ook Stewart en Wood scharrelen jarenlang rond in de Londense muziekscene voor ze bij de Jeff Beck Group komen, waarmee ze op tournee in de Verenigde Staten gaan.

Solocarrière

Aan hun hits houden The Small Faces geen cent over, en ook Wood en Stewart worden niet rijk van hun muziek, al begint Stewart al voor The Faces aan een solocarrière. Na het vertrek van Steve Marriott uit The Small Faces, vragen de drie overgebleven leden in 1969 Wood en Stewart als nieuwe leden; dan pas, op ongeveer een derde van Had Me a Real Good Time, begint het echte verhaal van The Faces.

Vreemd genoeg hadden The Faces eerst succes in de VS. In Groot-Brittannië werden de vijf Londense cockneys en voetballiefhebbers ondanks hun street credibility vooral door de kritiek met argwaan bekeken. Eigenlijk pasten ze niet in hun tijd, schrijft Neill. Ze waren geen hippies, en ze maakten ook niet de kunstzinnige progrock die toen in de mode raakte, maar een mengeling van rock ‘n’ roll, folk en soul.

Als ex-mods waren alle Faces fans van Motown: hun populairste nummer bij optredens werd ‘(I Know I’m) Losing You’ van The Temptations. En al gebruikten ze ook wel drugs die toen populair waren onder popmusici, ordinaire alcohol was hun favoriete roesmiddel. Op bijna alle foto’s in Had Me a Real Good Time staan ze met een pint of lager of een glas brandy in hun hand. In 1975, het jaar nadat Ronnie Lane The Faces had verlaten en voordat Ron Wood tweede gitarist werd van The Rolling Stones, traden The Faces zelfs op met een bar op het podium.

The Faces hadden ook een buitengewone belangstelling voor mode. Terwijl begin jaren zeventig steeds meer popgroepen optraden in hun dagelijkse kloffie, waren The Faces tot in de puntjes verzorgd. Het lange piekhaar in laagjes was uiterst gesoigneerd en Stewart trad graag op in een pak van roze satijn.

In Had Me a Real Good Time buitelen de anekdotes en verhalen over bijvoorbeeld Stewarts gierigheid in hoog tempo over elkaar heen. Soms wreekt zich de drang naar volledigheid die Neill als zo veel biografen heeft. Bij de zoveelste sloop van een hotelkamer, een specialiteit van The Faces, slaat de verveling toe. En de vele groupies die zichzelf aanbieden in elke stad waar ze optreden, roepen ten slotte vooral deernis op, zeker als ze zielige meisjes blijken te zijn die onder het toeziend oog van zwijgende Faces en roadies een keur aan voorwerpen in hun lichaamsopeningen stoppen.

Bombast

Door hun onmodieusheid werden The Faces een van de weinige groepen die het vuur van de rock ’n’ roll brandend hielden in de eerste helft van de jaren zeventig, volgens Neill het tijdperk waarin de popmuziek bijna ten onder ging aan ernst en bombast. Weliswaar werd Stewart na het opheffen van The Faces in 1975 al gauw een patserige superster tegen wie punkers ageerden, zoals Neill schrijft. Maar toen Glen Matlock auditie deed bij een vroege versie van de oerpunkgroep The Sex Pistols en hem werd gevraagd wat zijn favoriete groep was, antwoordde hij zonder schroom: The Faces. Dat was het enige juiste antwoord. Hoewel hij nauwelijks kon spelen, namen de proto-Pistols Matlock onmiddellijk aan als bassist.

    • Bernard Hulsman