Het ijdele brein van de Stones

De jaren zeventig waren het tijdperk van de supersterren, zoals de ‘verrader’ Mick Jagger en de ‘patser’ Rod Stewart (zonder Faces). En natuurlijk de twintig jaar geleden overleden Freddie Mercury, de popster van de overtreffende trap.

Marc Spitz: Jagger. Rebel, Rock Star, Rambler, Rogue. Gotham Books, 526 blz. €25,99

We houden van The Rolling Stones, we houden van gitarist Keith Richards, maar we minachten zanger Mick Jagger. Hoe komt dat?

Marc Spitz begint zijn biografie Jagger: Rebel, Rock Star, Rambler, Rogue met een prikkelende vraag. Zelf noemt hij het ‘The Mick Jagger Problem’. Of kortweg: ‘Brenda’. Dat is de bijnaam die Jaggers compagnon Keith Richards hem ooit gaf, daarmee insinuerend dat Mick Jagger (26 juli 1943) een soort Hyacinth Bucket uit Keeping up Appearances is: een sociaal klimmende middenklasser, een snob, een geldwolf, altijd bezig om zich jonger, modieuzer en intellectueler voor te doen dan hij is. Een trut, die het niet waard is om de rock ‘n’ roll te dienen.

Met Keith Richards zijn we meteen bij de belangrijkste verspreider van de Brenda-mythe. Richards zal geen interview overslaan zonder zijn kompaan de grond in te trappen. In Richards’ dit jaar verschenen autobiografie Life bouwt hij weer verder aan het beeld van Jagger als burgerlijke diva. Popjournalisten gaan graag met Richards mee, betoogt Spitz, omdat hij hun altijd voorziet van goede verhalen. Terwijl Jagger zijn neus ophaalt voor interviews en zelfs te beroerd is om zich in het openbaar tegen Richards’ aanvallen te verdedigen.

Net als bij John Lennon en Paul McCartney van The Beatles gebruiken rockliefhebbers Jagger en Richards graag als twee tegenpolen waartegen ze hun romantische beeld van de rock ‘n’ roll afzetten. Richards is daarin de eerlijke, authentieke rock ‘n’ roll junkie, die perfect voldoet aan het beeld van de oude rocker omdat hij daar zelf grotendeels model voor stond. Jagger staat in die denkwijze voor alles wat er mis ging met de rock: de verzakelijking en verburgerlijking van het popmuziekbedrijf, de uitverkoop van de oude idealen. Een verrader die de rebellie verkocht toen hij zich door de gevestigde orde in 2002 tot ridder liet slaan: sir Michael Philip Jagger.

Marc Spitz ontleedt de Brenda-mythe in zijn boek en laat zien dat die een echte mythe is. In die zin is Jagger een overtuigend antwoord op Life van Richards.

Zoals zo vaak in Britse biografieën liggen de wortels van de mythe in de afkomst van Richards en Jagger. De eerste is lagere middenklasse, de tweede middenmiddenklasse, een belangrijk verschil in Groot-Brittannië. Jagger is de zoon van een sportdocent. Van zijn vader leerde hij dat je gedisciplineerd moet werken. Hij ging naar de posh London School of Economics, waar vele Britse politici en bankiers hun onderwijs genoten. Jagger kon goed leren en had een brede belangstelling.

Richards had dat allemaal niet. Spitz: „Terwijl Mick kon worden wat hij wilde, en er al snel voor koos om rocker te worden, had Keith geen andere mogelijkheden, en niet veel te verliezen. [...] Jagger is een te compleet mens, kwetsbaar, zoekend, sceptisch, om zich volledig te wijden aan zoiets monolithisch als de rock ‘n’ roll.’’ Volgens hem is dat nog steeds zo: Richards heeft geen andere keuze dan een karikatuur van de oude rocker te zijn. Jagger heeft nog steeds vele keuzes.

De Brenda-mythe zegt vooral iets over de fans. Zij koesteren het rebelse, jeugdige, primitieve imago van de rock en verzetten zich tegen de voor de hand liggende conclusie dat de Stones, die op 12 juli 2012 hun vijftigjarig jubileum vieren, klassiek zijn geworden. Als je rock alleen ziet als de soundtrack van een generatie protesterende jongeren in de jaren zestig, is het een schande dat The Rolling Stones nog bestaan. Dit bekende standpunt verkondigde enkele jaren geleden een hoofdartikel in deze krant. Dit raakt de Stones harder dan andere overlevers van de sixties, omdat zij een halve eeuw geleden het duidelijkst als rebellen in de markt werden gezet. En het raakt Jagger harder dan Richards. Volgens de romantische redenering heeft Richards tenminste nog het fatsoen om met gratie te vervallen tot oude bluesman. Jagger blijft maar uitgaan met jonge meiden, met zijn billen schuddend als een bronstige, ijdele aap; de eeuwige midlifecrisisman die weigert bejaard te worden. Spitz vat samen: „Keith is het hart van de Stones, Mick is het brein.” Van de eerste kun je geen vrijwillige euthanasie verwachten, van de laatste wel.

Er is echter hoop voor de voorstanders van opheffing. Terwijl het de hoofdredacteur van NRC Handelsblad niet lukte om The Rolling Stones van de weg te halen, lijkt Richards daar wel in te slagen. Na de karaktermoord op Jagger in Life, is het immers onwaarschijnlijk dat de zanger zich nog eens tot een nieuwe Stonesplaat of tournee laat verleiden. Inmiddels is de 68-jarige Jagger een nieuwe reggae-Bollywood-rockgroep begonnen: SuperHeavy. Richards zit op zijn met dollars gevulde fatboy, Jagger niet.