Een groot, bipolair schilderstalent

Nicholas Tromans: Richard Dadd. The Artist and the Asylum. Tate Publishing, 208 blz. €34,-

Een mooie geste. Mecenas Thomas Phillips neemt in 1842 de begenadigde schilder Richard Dadd (1817- 1886) mee op een reis naar het Midden-Oosten. Beiroet, Damascus, Jeruzalem, Thebe, Kairo. Na een doorrookte nacht aan een waterpijp met geestverruimende inhoud begint Dadd echter gewelddadige neigingen te vertonen. Philips krijgt de zenuwen, maar houdt hem bij zich. Uiteindelijk terug in Parijs verdwijnt de schilder en eenmaal weer in Engeland blijkt hij de zonderlinge gedachte te koesteren de duivel te moeten zoeken en doden.

Zijn oude vrienden vinden hem angstaanjagend. Zijn vader, de apotheker Robert Dadd wint zielkundig advies in. Men raadt hem aan Richard op te laten sluiten. Zoonlief weet vader over te halen eerst nog een gezamenlijk uitstapje te ondernemen naar het dorp Cobham, waar hun familiewortels liggen. Ze maken er een wandeling in de omgeving, Richard springt zijn vader op het lijf, probeert hem met een scheermes (vergeefs) de hals af te snijden maar weet hem met een tweede mes alsnog dood te steken, neemt vervolgens een dramatische pose aan en spreekt tot de sterren: ‘Ga en zeg de grote god Osiris dat ik de daad heb gedaan die hem vrij zal maken.’

Dadd vlucht naar Frankrijk, waar hij Osiris een tweede offer probeert te brengen, wordt gearresteerd en teruggezonden naar Engeland, waar hij de rest van zijn leven zal slijten in de beroemde gekkenhuizen Bedlam en Broadmoor. Een roemloos einde van een bijzonder veelbelovende carrière als kunstenaar, zou je zeggen.

Reconstructie

De Britse kunsthistoricus Nicholas Tromans schreef de fascinerende biografie Richard Dadd. The Artist and the Asylum, een prettig leesbare, nauwgezette reconstructie van leven en werk van een getroebleerde kunstenaar. Hij weet Dadd op heldere wijze in de inrichtingscontext te plaatsen. Opmerkelijk hoezeer de kunstenaar in beide instituten de ruimte kreeg voor zijn artistieke bezigheden.

Roemloos eindigde Dadds schildersloopbaan beslist niet. Wie aan de 19de eeuw denkt als periode waarin men de geesteszieke middeleeuws behandelde, moet zich nog maar eens achter de oren krabben. Richard lijkt trouwens slachtoffer van een erfelijke aandoening. Zijn broer en zuster zouden eveneens in Bedlam worden opgenomen.

De vraag is natuurlijk waaraan al die Daddjes dan precies leden. Onze biograaf wijdt er heel wat pagina’s aan, maar acht zich onbevoegd tot een uiteindelijke diagnose. We zouden het tegenwoordig ongetwijfeld ‘bipolair’ noemen, waar het vroeger ‘splitszinnig’ en iets later ‘schizofreen’ heette.

Nicholas Tromans is excellent in zijn analyses van Dadds vaak gecompliceerde schilderijen. Zijn meestal op bijbelse of Shakespeare-lectuur gebaseerde werken zijn juist in zijn inrichtingstijd ontstaan. Overvolle stukken, vol mythologie en plantaardigheid, met een ontregelend perspectief en gestolde beweging. Typisch voor Dadds doeken zijn de lichtend grijsblauwe ogen van zijn figuren (zijn eigen kijkerkleur), iets wijkend voorhoofd en bijzonder geprononceerd kakement. Een aquarel uit 1853, Juvenile Members of the Yacht Club, laat twee onschuldige jongens met een modelzeilscheepje zien, maar precies die Dadd-ogen geven ze iets krankzinnigs.

Dadds meesterwerk bij uitstek is ongetwijfeld The Fairy Feller’s Master-Stroke. Knettergek, onvergetelijk. Voorgesteld is een door grashalmen overhuifd gezelschap mini-figuren (nimfen, feeën, gnomen), met als centrale figuur de fairy-feller, die de bijl heeft geheven om een hazelnoot op bowlingbal-formaat te klieven. Dat alles onder het toeziend oog van een God-achtige baardman die zich onder een steen verschuilt. Eén detail mag ik niet vergeten. Rechts, helemaal bovenaan staat een apothekertje met een vijzel in een mortier te stampen. Herkenbaar: vader Robert Dadd in beroepsmatige actie.

Leegte

Toen Bedlam-archivaris Patricia Alderidge in 1974 haar catalogus publiceerde bij de eerste grote Dadd- tentoonstelling in de Londense Tate Gallery, schreef een recensent: ‘De paranoïde schizofrenie waaraan hij klaarblijkelijk leed, geeft Dadds werk ongetwijfeld een scherp randje, maar over dat randje vinden we slechts leegte.’ De Engelse psychiaters C.N. Lewis en J. Arsenian schreven in 1977 een artikel in het Journal of nervous and mental disease, waarin ze juist in die ‘leegte’ keken. ‘We poneren de hypothese’, zeggen ze, ‘dat met The Fairy Feller’s Master-Stroke’ de vadermoord op symbolische wijze opnieuw wordt gepleegd én tegelijkertijd vergolden.

Uit het schilderij spreekt minutieuze aandacht voor details – de kunstenaar heeft er negen jaar aan gewerkt. Hij maakte hierna een tamelijke vage kopie in waterverf, en schreef een gedicht van 22 bladzijden getiteld ‘Elimination’, dat alle figuren op het doek thuisbrengt: ‘We suggest that this hints at the theme of undoing.’ Een moord plegen, deze ‘ontdoen’, de ‘ontdoening’ vervolgens vervagen en uiteindelijk met een gedicht elimineren.

Volgens beide psychiaters heeft dit proces gewerkt: Dadd lijkt na zijn eliminatiejaren een stuk rustiger. Fascinerend. Ik moest aan de laatste regels van The Dunciad denken, het omvangrijke satirische leerdicht dat Alexander Pope in de jaren 1728, 1735 en 1743 in verschillende versies publiceerde. Het eindigt met de regels: Lo! thy dread empire, Chaos! is restored;/ Light dies before thy uncreating word:/ Thy hand, great Anarch! lets the curtain fall;/ And universal darkness buries all.

‘Elimination’, ‘uncreating word’: wie zegt dat Dadd zelf die link legde? Daar is een argument voor. Van Dadds hand is een schitterend schilderij uit 1864, het jaar waarin hij The Fairy Feller’s Master-Stroke eerder had voltooid. Het heet The Gardener. Afgebeeld is het huis van Alexander Pope, in de tuinman herkennen we niemand minder dan alwéér Dadds eigen vader.

Ik zocht vergeefs naar deze hypothese in Richard Dadd. The Artist and the Asylum. Helaas. Het is mijn enige bezwaar tegen dit boek, dat naar mijn smaak een fractie minder (kunst-)historisch en iets avontuurlijker had mogen zijn. We mogen niettemin dankbaar zijn voor Tromans arbeid. Dankzij diens biografie is Richard Dadds monumentale kunstenaarschap nu definitief in ere hersteld.