Door mijn studie ben ik ontwaakt

Fatumo Farah (41) is directeur van organisatie HIRDA, die Somalië steunt.

Zelf ontvluchtte zij Somalië met negen broers en zussen. „Ik was twee jaar een spook.”

Fatumo Farah (41) vluchtte bijna twintig jaar geleden van Somalië naar Nederland. Zij was toen tweedejaars student economie. Het was 1992, het begin van de val van het regime in Somalië. Fatumo: „Op een zondag begon het. We hoorden alleen maar kogels om ons huis, bladeren vielen opeens van de bomen, er was geluid dat je niet kende, geweren. Wij dachten: dit is een grap – maar het bleef maar doorgaan.” De volgende dag vluchtte Fatumo met haar moeder en negen broertjes en zusjes. De oorlog ging van stad tot stad. Van Mogadishu naar Kismaio, 500 km verderop. Kinderen werden gedood, huizen geplunderd, vrouwen verkracht. Fatumo werd koppig en zei tegen haar moeder dat ze wilde studeren en weg wilde. Die vond dat moeilijk maar liet haar gaan. Na een kamp in Kenia is zij via Frankrijk naar Nederland gekomen.

Inmiddels is ze directeur van HIRDA, een wereldwijde organisatie die Somalië helpt met projecten in onderwijs, gezondheidszorg, economische zelfstandigheid en vrouwenemancipatie. Deze zomer ging zij voor het eerst weer terug naar haar geboorteland.

Na twintig jaar ging u terug naar Somalië. Hoe was dat?

„Somalië is heel anders nu. Mensen hadden vroeger huizen. Nu zie je jonge moeders met negen kinderen op straat leven, ze hebben vaak twee of drie kinderen verloren. Ik ben nu moeder, het zouden mijn kinderen kunnen zijn. Dat maakt me zachter, als ik zie hoe mensen daar leven. Hier hebben we schone kleren, schoon water, een huis en we zeuren nog steeds! Mijn dochter wil van een Blackberry naar een iPhone. Mensen daar overleven met 1,50 euro per dag. Ik kon ook de warmte slecht hebben, het was 45 graden. Het leven is daar harder. Daarom zeg ik: Ik ben een softie geworden, echt waar. Voor de burgeroorlog had ik een goed leven, arm, maar dat was 80 procent van de bevolking. Ik had een paar schoenen en kon één keer per dag eten, maar had wel plannen. Studeren was gratis en je moest je hersenen gebruiken. Ik ben altijd sterk geweest. Ik ben hier softer geworden, dat merkte ik toen ik terugging.”

Hoe was u dan toen u hier als vluchteling kwam?

„Het was februari, de kachel was aan maar ik voelde hem niet, het was hier zo koud! Maar de ontvangst was warm. Geen kapotte huizen, geen mensen, kinderen, die op straat werden gedood. Het was veilig. Ik had weinig kleren, geen geld. Maar er werd hier naar je verhaal geluisterd, ik werd serieus genomen. Dat gaf me zekerheid en veiligheid. Ik merk nu in Nederland het verschil hoor. Toen ik via het Rode Kruis na maanden hoorde dat mijn familie nog leefde, gezond was, kon ik pas ontspannen.”

En uw plan om te studeren?

„Dat duurde nog even. Na maanden in het asielzoekerscentrum te hebben gezeten, wist ik nog steeds niet of ik mocht blijven. Ik heb toen contact opgenomen met de stichting voor vluchtelingstudenten (UAF). In het kamp in Kenia had ik een meiske ontmoet dat langs de universiteit was gegaan. De administratie bleek geplunderd. Mijn documenten had ze op straat gevonden. Ik heb ze nog steeds! Die kon ik laten zien. Uiteindelijk wilde het UAF mijn studie betalen en kon ik aan de slag.”

Die studie was het belangrijkste.

„Ja, het was alsof ik een schat vond. Het hielp mij, gaf mij hoop. Het was herleven, de eerste twee jaar hier had ik geen hoop, geen plannen. Je weet niet wat je moet, waar en hoe. Ik sliep, at, werd wakker. Ik kon eerst nog niet werken zonder verblijfsvergunning. Als mijn moeder belde, dacht ik: wat kan ik voor haar doen? Dat is pijn, maar het maakte niet dat ik plannen ging maken. Het was het effect van de oorlog. Ik vertelde het niemand. Ik was twee jaar lang niks, een spook. Ik was heel ambitieus in eigen land maar dat was weg. In Somalië ben je als meisje van 23 te oud om verder te studeren. Daarom dacht ik niet verder. In 1993 ontmoette ik mijn man in Amsterdam, hij was ook gevlucht uit Somalië, ik kon veel delen, was niet meer alleen. Hij is trots, ondersteunt me. We hebben nu drie kinderen. Familie is belangrijk. Toen ik kon doorstuderen, dacht ik: ‘Dit is mijn kans’. Door mijn studie ben ik wakker geworden. Mijn vader zei altijd: je moet je studie afmaken en diploma’s halen. Terwijl niemand zo denkt in Somalië.”

Nee?

„Jongens worden enorm gestimuleerd, die zijn verantwoordelijk voor de hele familie. Maar tot vlak voor zijn dood zei mijn vader tegen mij: zorg voor jezelf, blijf studeren! Dat bleef hangen. Ik moest mijn vaders droom en die van mijzelf waarmaken. In 2001 heb ik mijn studie bedrijfseconomie afgemaakt en stage voor een groot accountantskantoor gelopen. Ik heb daar als trainee accountant drieënhalf jaar gewerkt. Toen begon ik ook als vrijwilliger bij HIRDA.”

Wat drijft u daar?

„Het inspireert mij om bij mensen hun eigen kracht naar boven te halen. Ik heb bijvoorbeeld normen bedacht voor gelijke opleidingskansen voor jongens en meisjes. Op elke school die wij ondersteunen moet 50 procent meisje en 50 procent jongen zijn. Ik ben hier trotser op dan wat ik heb geleerd als bedrijfseconoom. Dat er scholen worden gebouwd, mensen kleren krijgen. Ik breng iets waar iedereen blij mee is, dat maakt mij gelukkig. Het voelt ook als mijn land terugbetalen.”

Hoe bedoelt u dat?

„Ik dacht wat doen we hier? Na 19 jaar Nederland kijk ik anders naar dingen. Ik let nog meer op waar ik mijn geld aan uitgeef, ik vind mijn leven heel waardevol: dat mijn kinderen naar school kunnen, water hebben. Wel denk ik: Waarom is het niet zo aan de andere kant van de wereld? Wie vraag je of het eerlijk is of niet? Dus daarom wil ik wat doen voor Somalië.”

Ben je gelovig?

„Ja, ik ben moslim, maar ga niet altijd naar de moskee. Bidden en vasten inspireert mij. Maar je kunt niet vragen aan God waarom hij het heeft gedaan. Hij weet wel de bedoeling, maar op een menselijke manier is het oneerlijk. Voor ongelijkheid hoef je ook niet te reizen naar Nederland. Twee kilometer verder van het vluchtelingenkamp was het ook ongelijk: in ons gastenhuis kregen wij bij de ontvangst zo veel eten, vlees, groente. Maar de kinderen die ik overdag in het kamp zag hadden niets te eten. Hoe kan dat? In theorie weet ik het wel: het is het gevolg van slecht bestuur. Dat soort dingen geef ik over aan Allah. Zo geloof ik.”

In vrijheid...

„Het is een luxe, maar hier kan iedereen leven zoals hij wil, als je mensen maar geen pijn doet. Dat is vrijheid. In Somalië is er eten nodig, hier hebben mensen behoefte aan andere dingen. Dat kan ik begrijpen. Ik wil mensen in Somalië leren hoe ze hun hulpbronnen kunnen gebruiken, dat ze iets kunnen, in eigen land. Ik heb op kleine schaal verandering kunnen brengen in een regio waar ze niet meer aan besnijdenis doen. Het land is groot, het gaat langzaam. Ik geloof in onderwijs voor meisjes en moeders. Mijn dochter staat heel sterk in haar schoenen, ze weet wat ze wil en wat ze kan. Ze heeft mijn ideeën overgenomen. De moeder is de voedingsbodem van de kinderen. Door onderwijs krijg je goede moeders en sterke kinderen. Daar vecht ik voor.”