Dood aan de meeëter

Dit werd niet eerder beschreven: WO II vanuit het oogpunt van de voedselvoorziening. Het begon met de niet-volksduitsers, die niet meer mochten meeëten, en het eindigde met 20 miljoen doden door honger en daaruit voortkomende ziektes.

S-brigadeführer Walter Schieber ontwikkelde in 1942 voor de dwangarbeiders in concentratiekampen als Dachau, Mauthausen en Buchenwald uit afval van de cellulosefabricage een worst, op smaak gebracht met leveraroma. Het smaakte en het zag er uit als leverworst. Himmler was enthousiast, en beschreef deze culinaire innovatie (kennelijk zonder te proeven) als ‘ongelofelijk voedzaam, smakelijk, werkelijk worstachtig – nuttige voeding.’

Honderdzestien slachtoffers bewezen het tegendeel. Je zou zeggen dat worstmaker Schieber gestraft werd voor dit misdadige product. De regering van de Verenigde Staten meende hem echter goed te kunnen gebruiken in de naoorlogse samenleving. Beetje moeilijk met zijn oorlogsprofiel, maar men zag toch kans hem tien jaar in West-Duitsland in te zetten, bij onderzoek naar chemische oorlogsvoering.

Het verhaal van de Schieber-leverworst is een aansprekend detail uit Lizzie Collinghams The Taste of War. World War Two and the Battle for Food. Ze bekeek de oorlog vanuit het perspectief van volksvoeding en honger, een invalshoek die een fascinerende boek opleverde. De Tweede Wereldoorlog wordt er zo mogelijk nog gruwelijker in voorgesteld dan in eerdere studies over dit onderwerp.

Duitsland ontwikkelde al in de jaren dertig een plan dat voorzag in herstructurering van de voedselvoorziening. Het menu van de ‘volksduitsers’, waarin de nadruk op varkensvlees lag, zou bij de gegeven bevolkingsgroei en een zelfvoorzienende voedseleconomie problemen gaan opleveren. Om voldoende spek te genereren moet het varken aardappels, graan of maïs eten, het is een concurrent van de mens aan tafel.

Het beleid van de nationaal-socialistische regering was er dan ook op gericht het Duitse volk vaker vegetarisch te laten eten. Men bedreef op basis van de voortschrijdende wetenschap in verband met vitamines en calorieën propaganda voor een voedselreform. Het opschonen van het thuisfront hielp ook. Voor de gestichtspatiënten werden speciale ‘hongerhuizen’ ingericht.

Alle niet-volksduitsers moesten het land uit, de joden als eersten. Meeëters, schadelijk. Ze konden worden ondergebracht in volksplantingen buiten het Reich, economischer was misschien ze uit te roeien. Maar het zou niet genoeg zijn. Daarom moest Duitsland worden uitgebreid met productiegronden. De blik werd naar het Oosten gericht. Polen, de Oekraïne. Vruchtbare gebieden, ideaal als graanschuur. Zonder oorlog kreeg je die gebieden niet, in 1939 werd de eerste stap gezet: inval in Polen.

De redenering gaat verder. Een soldaat verbruikt veel meer calorieën dan de gemiddelde mens in vredestijd. Die optelsom hadden ook de nazi-leiders gemaakt. Specialist op dit gebied was SS-man Herbert Backe, een van de meest perfide nazi’s die er hebben rondgelopen. In 1933 werd hij benoemd tot staatssecretaris op het Reichsministerium voor Voedsel en Landbouw en even later toegevoegd aan de staf van het Rasse- und Siedlungshauptamt, om het uiteindelijk tot minister op dit departement te schoppen.

Backe is de vader van het zogenaamde ‘Hongerplan’. Een miljoenenleger verbrandt heel wat voedsel. Als men het thuisfront niet tekort wilde doen moest het eten dus in de veroverde gebieden worden verzameld. Maar ook daar had je weer meeëters, te beginnen met de joden. De Slavische bevolking at natuurlijk ook. Er zat maar één ding op volgens Backe: uithongeren. Pas als er geen meeëters meer waren konden de rijke graanopbrengsten die men beoogde heim ins Reich worden getransporteerd, om daar bij te dragen aan het blakend gezonde, krachtige volksgeluk der Duitse ras-Germanen.

Over de aandriften van de nazi’s is al overvloedig geschreven, tot aan Himmlers duistere, esoterische hersenspinsels toe. Lizzie Collinghams The Taste of War volgt een veel pragmatischer pad, in de sfeer van Darwin en survival of the fittest. Duitslands streven naar een voedselvoorziening die niet afhankelijk was van import uit het buitenland wordt op nuchtere wijze uiteengezet, en de consequenties van dat streven zijn huiveringwekkend.

Collingham geeft een voorbeeld: ‘Ondanks de overvloedige lectuur over het beleg van Leningrad is het minder bekend dat de Duitsers de hongerdood van de inwoners slechts beschouwden als één stap in een veel groter plan zoveel mogelijk „nutteloze eters” te elimineren.’ Het Leningrad-beleg zou 1 miljoen hongerdoden kosten, blokkade van de Oekraïense steden steden Kiev en Charkov was goed voor 200.000 uitgeschakelde eters.

Werken deed Backes plan niet. Zijn rigide economische ingrijpen deed op alle schaarsteplekken onmiddellijk een parallel-economie ontstaan: de zwarte handel. Sommige oogsten mislukten, met name in de herfst van 1941, die een voedselcrisis in de Duitse steden met zich meebracht. En belangrijker: de Russen bleken veel beter tegen honger te kunnen dan men dacht. Ze hadden dankzij Stalins meedogenloze binnenlandse voedselpolitiek geweldig leren improviseren.

Dan waren er nog de stagnerende opmars van de Duitse troepen die bij Stalingrad tot staan kwam, de kou, de falende infrastructuur en de enorme militaire kracht die de Russen wisten te ontwikkelen toen ze eenmaal met de rug tegen de muur stonden.

Lizzie Collingham volgt in haar oorlogsvoedselboek de hele Tweede Wereldoorlog. We zien het Japanse streven naar uitbreiding van het landbouwareaal in Mantsjoerije, Italië dat Libië naar het voorbeeld der Romeinen opnieuw tot graanschuur wil omtoveren, Amerika waar het eten niet op kon, de enorme inspanningen die Commonwealth-landen als Australië en Nieuw Zeeland zich getroostten om de monden in moedernatie Engeland te blijven vullen.

Bijzonder interessant ook zijn de (uiteraard minder grimmige) hoofdstukken over de voedselpolitiek van Churchill en de zijnen. In Engeland was men zich gaande de jaren dertig eveneens gaan buigen over het menu van de slecht etende volksklassen, de schaarste tijdens de oorlogsjaren hielp mee: „Nooit hebben de Engelsen gezonder gegeten dan toen”. Minder vet, meer groente. Men ontwikkelde een volkstuinprogramma: Dig for Victory, met instructiefilmpjes, tegenwoordig te zien op YouTube. Succesvol, al hadden de dillettant-kwekers grote moeite met de ui, die daarmee promoveerde tot kostbaar verjaarsgeschenk.

Elke ochtend zond de BBC-radio het programma The Kitchen Front uit, dat via een humor-vehikel voedingsinformatie bracht. Posters verschenen waarop Potato Pete vertelde dat hij lekker was in de soep, Dr. Carrot verkondigde dat hij vitamine A meebracht ‘which helps you see in the dark of the blackout’. Lekker eten?

Potato Pete was alomtegenwoordig. Men kon ten slotte geen pieper meer zien. Bitter voor de Nederlandse lezer is intussen wat Collingham schrijft over Churchills aanvankelijke weigering in te gaan op het Rode Kruis-verzoek voedsel te droppen tijdens de Hongerwinter, terwijl the Dutch were dying in the streets of Amsterdam. De Duitsers zouden het maar inpikken. Tja.

Voedsel. Een vruchtbare invalshoek. Mark Kurlansky schreef een boek over zout door de eeuwen heen en noemde het terecht ‘Een wereldgeschiedenis’. Van hem ook is de historie van Baskenland aan de hand van de kabeljauw. Volg de aardappel sinds haar populariteit in Europa en je stuit op sociale geschiedenis. Richt je op de prei en je komt terecht bij de oudste (en nog steeds actuele) tradities van Wales.

Voor wie niettemin aarzelt voedsel aan te nemen als een van de centrale thema’s van de Tweede Wereldoorlog: Collingham heeft uitstekende papieren. Zowel Duitsland (stijging van de vleesconsumptie) als Japan (toenemende rijstbehoefte) hadden voedingsargumenten om een oorlog te beginnen. En wat de gevolgen van alle geweld betreft: ze rekent ons voor dat in totaal 20 miljoen mensen het leven verloren door honger, slechte voeding en de ziektes die er het gevolg van waren. Het weegt op tegen het evenzo astronomische getal van militaire actie: 19,5 miljoen.

The Taste of War. World War Two and the Battle for Food is uiteraard een boek over een godzijdank voorbije periode. Geschiedenis. Dat het ook actuele implicaties heeft is duidelijk. Collingham zegt het zelf: „Het probleem waarmee Japan en Duitsland in de jaren dertig werden geconfronteerd – hoe te voldoen aan de steeds hogere voedseleisen van een groeiende stedelijke populatie – is met een even globale impact teruggekeerd aan het begin van de 21ste eeuw. De groeiende stedelijke middenklassen in zich ontwikkelende landen als China, India, Indonesië en Brazilië hebben hun eetgewoonten veranderd.”

Men wil meer, men wil beter. Ik denk aan Schieber-leverworst, en het zweet breekt me uit.

Lizzie Collingham: The Taste of War. World War Two and the Battle for Food. Allen Lane, 633 blz. € 31,-