De feiten toveren en onttoveren

In een beklemmende ‘vertelling’ van 45 gedichten laat Willem Jan Otten zien hoe het leven van een man in dienst van God op losse schroeven wordt gezet. Ook in Désanne van Brederodes nieuwe roman komt ‘de Ene’ regelmatig om de hoek kijken.

Willem Jan Otten: De vlek. Een vertelling. Van Oorschot, 89 blz. 17,50

In zijn essaybundel Waarom komt U ons hinderen uit 2006 legt Willem Jan Otten uit waarom hij Fjodor Dostojevski zo’n groot schrijver vindt. Hij vertelt er de scène uit De broers Karamazov in na, waarin het zieke jongetje Iljoeska een hond een stuk brood te eten geeft waarin hij een speld heeft verborgen. De hond eet het brood op, loopt weg en keert niet terug. In Iljoeska groeit het berouw vanwege zijn verschrikkelijke daad.

Om hem te troosten komen zijn vriendjes met een andere hond op de proppen die niets mankeert, genaamd Perezvon. Iedereen weet dat dit niet de hond is die de speld doorslikte. En toch, zo schrijft Otten dan, ‘wordt de nieuwe hond de Hond in Kwestie’. Ook voor Iljoeska, die wel in deze nieuwe hond moet ‘geloven’ om met zichzelf in het reine te komen.

Wat moet een lezer daarvan denken? Nuchter concluderen dat de jongens zichzelf bedotten omdat ze zich troosten met een hond die niets mankeert? Nee, meent Otten. ‘Bij het lezen begrijp je dat als jij degene zou zijn die tijdens de vertoning had gezegd: jongens, nu even normaal, de echte hond is hartstikke dood, dit is een troostsmoes, dit is Perezvon maar – dat je dan een soort misdrijf gepleegd zou hebben.’ Het is alleen al ‘een misdrijf tegen de poëzie’, zoals Otten erop laat volgen. In praise of de door hem bewonderde Rus schrijft hij: ‘Dostojevski maakt dat iets wat empirisch gesproken onwaar is waar moet zijn.’

Van Ottens eigen hand verscheen De vlek, een ‘vertelling’ in de vorm van 45 gedichten. Otten speelt in het amper honderd pagina’s dikke boekje met een vergelijkbaar gegeven als Dostojevski in De broers Karamazov. Bij monde van de beveiliger Ton Kans lezen we hoe zijn tweelingbroer Abel, een bejubeld maar vroegtijdig afgezwaaid jazzmusicus, in het ziekenhuis te horen krijgt dat er zich op zijn longen een grote vlek bevindt.

De behandelend arts toont Abel de röntgenfoto, er lijkt weinig meer aan te doen te zijn. En al zou het kunnen, Abel wil niet geholpen worden, want ‘aan zijn lijf geen polonaise’. Broer Ton weet wel beter en becommentarieert: ‘Je grijnst nu cool als op een podium,/ maar ik besef jij rent nu weg.’

En Abel rent weg, en wel zo snel dat hem niet verteld kan worden dat de arts hem per ongeluk de foto van een andere patiënt heeft voorgehouden. Niet hij is op sterven na dood, maar een andere patiënt, een priester genaamd vader Josefsson.

Het is een even tragisch als literair vruchtbaar gegeven: enerzijds een man die door een uitglijer van de empirie op het verkeerde been is gezet, aan de andere kant een man wiens leven in dienst van God op losse schroeven wordt gezet door een kille empirische bevinding.

Ton Kans, de verteller van de roman, staat zijn plek achter het spreekgestoelte alleen af en toe af aan een alwetende verteller. Daarom wordt De vlek alleen suggestief psychologiserend en komen we niet direct te weten hoe Abel of Josefsson hun situatie ervaren. We moeten het voornamelijk doen met wat Ton ziet of zich herinnert, wat meer dan genoeg is. Wonderschoon is bijvoorbeeld het vers ‘Een kiekendief in 1960’, waar Otten in een paar magnifieke pagina’s toont hoe de ene broer bereid is om zich door de harde feiten te laten onttoveren en de ander niet. Of ‘Verbroken verbinding’, waarin een ex van Abel ten tonele komt: ‘Aby heeft nog nooit één dag/ geleefd die niet zijn allerlaatste was./ Zo is het toch, zegt zij,/ daarom valt hij nooit in slaap,/ hij schiet alleen maar wakker,/ de tijd stormt op hem af,/ nooit loopt hij met haar op.’

De vlek confronteert je met het verlies dat gepaard gaat met een groei van rationaliteit. Ton Kans is weliswaar geen geleerde geworden, maar brengt zijn dagen als beveiliger achter een stel monitoren door, hij observeert en controleert dus net zo goed het menselijk gedrag. Abel is de man die zich nooit ‘tot de orde’ heeft laten roepen, niet vanuit die duinpan op Vlieland en ook niet tijdens de rest van zijn leven. In het beklemmende De vlek eert een uitermate begaafd schrijver niet alleen zijn helden (ook naar Tarkovski’s Nostalghia wordt geknipoogd), hij laat vooral zien hoe broos een particuliere levensfilosofie kan zijn wanneer het noodlot toeslaat.

    • Sebastiaan Kort