Casanova’s navolger

De acteur Paolo Sorrentino schrijft als een filmer. Flitsend, snel schakelend, associërend, impressionistisch – over een Napolitaanse volkszanger. Volgens Joyce Roodnat is hoofdpersoon Tony Pagoda te vergelijken met levensgenieter Giacomo Casanova.

De hoofdpersoon van de roman Iedereen heeft gelijk is uitzinnig. Tony Pagoda heet hij en hij is een Napolitaanse volkszanger. Niet volks in de zin van André Hazes, meer ‘van het volk’, zoals Jacques Brel dat was. Een artiest met de weerklank van Huub van der Lubbe, maar dan vele malen consequenter aanbeden: wat hij ook doet of laat, hij kan niet stuk. Het type dat naar nachtclub ruikt. Tony Pagoda is Tom Jones op zijn Italiaans. Zijn grote voorbeeld heet trouwens niet Tom Jones maar Frank Sinatra.

Er werken in Italië nog altijd veel van zulke entertainers, maar in de jaren tachtig, waarin deze roman van start gaat, floreerden ze ongekend. De tijd van bandplooibroek, betamax en Ballantine’s. De bakkebaarden breed, de schoudervullingen tot bij de oren en ook mannenlaarzen hebben flinke hakken. Luid is mooi, extreem is de norm. Even flamboyant als verbeten wordt voldaan aan de opdracht van de generatie van de jaren zestig die de almacht van de verbeelding eiste.

Tony Pagoda is zo beroemd dat hij nauwelijks meer hoeft te zingen. In de cirkel van een spotlight verschijnen is zo ongeveer genoeg. Schor hijgt hij wat in een microfoon, om vervolgens zijn zwaargevreten lijf weer naar een partyhol te hijsen voor cocaïne, drank en vrouwen (in die volgorde). Tussendoor (ja, er is tijd voor tussendoor) koestert hij grote plannen waar nooit iets van terecht komt.

Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad op Vrijdag 11 november 2011, pagina 12 - 13. U kunt het hele artikel van Joyce Roodnat hier lezen.