Bijna niemand wil hem als leider, wil hij zelf wel?

Vicepremier Verhagen woont belangrijke vergaderingen van zijn eigen partij niet bij. Niet die van het CDA-partijbestuur. En ook niet die van de commissie die de nieuwe koers van de partij moet bepalen. Dat zegt veel over de vraag of hij het CDA wil leiden.

Om de week komen de 25 CDA’ers bij elkaar. Op zaterdagochtend, in Utrecht, in een zaaltje van de lokale hogeschool. Elke week bereidt een groepje een thema voor – Hoe staat Nederland er over tien jaar voor? Wat moet het CDA daar dan mee? – en volgt daaruit een presentatie. Soms zitten ze in een kring.

Het lijkt misschien niet wereldschokkend, maar deze groep CDA-denkers is wel bezig de regeringspartij te veranderen. Koers te bepalen. Vast te stellen wat het CDA eigenlijk wil. En voor wie. Waaruit dan onontkoombaar de leiderschapsvraag volgt: wie gaat dat nieuwe CDA leiden?

Jan Kees de Jager misschien, de minister van Financiën? Nee, niets daarvan, zei hij woensdag zelf. „Ik ben definitief niet beschikbaar.”

Camiel Eurlings dan, de oud-minister die nu in het bedrijfsleven werkt? Nee, niets daarvan, zei hij gisteren zelf. „Ik ben geen partijleider in 2015. Ik werk in 2015 nog gewoon bij de KLM.” Dat jaar zijn er verkiezingen, als het kabinet de rit uitzit.

Maxime Verhagen anders? De vicepremier die dit kabinet mogelijk maakte, de minister van het belangrijke departement Economische Zaken, de man die op dit moment al de facto partijleider is? Zelf is hij er niet uitgesproken over.

Nieuwe onthullingen over zijn positie binnen de partij maken duidelijk dat Verhagen zich niet intern positioneert als de toekomstig leider: Verhagen blijkt afwezig te zijn bij belangrijke partijvergaderingen. Volgens leden van het partijbestuur is hij daar al een jaar niet geweest – de woordvoerder van de partij kan niet exact zeggen wanneer Verhagen er voor het laatst was. Statutair is hij dat ook niet verplicht, maar zijn voorgangers kwamen wel met enige regelmaat, en zo goed als alle andere CDA-kopstukken zijn er ook.

Een andere vergadering, die van het zogeheten Strategisch Beraad die in dat Utrechtse zaaltje op zaterdag de partij hervormt, laat hij ook aan zich voorbij gaan. Hij is nog niet één keer geweest. En dat terwijl hij officieel is aangesteld als adviseur van dit orgaan. Verhagen noch zijn woordvoerder wil reageren.

2011 had het jaar van Verhagens grote gelijk moeten worden. Als het bij de verkiezingen van vorig jaar gehalveerde CDA eenmaal zou regeren, dan kwamen de aanhangers vanzelf terug. Verantwoordelijkheid nemen dwingt immers beloning af, zo redeneerde Verhagen. Zo werkt dat namelijk ook binnen de partij.

Het pakte anders uit. In de peilingen had rond deze tijd een stijgende lijn hervonden moeten zijn; in plaats daarvan blijft het fictieve zeteltal maar dalen. Afhankelijk van wie peilt, zouden er van de huidige 21 zetels 11 à 14 overblijven. Zo weinig zetels had de partij nog nooit.

Verhagen heeft dit jaar ook als partijpoliticus moeilijke momenten gekend. In de slotfase van de campagne voor de Provinciale Statenverkiezingen, in maart, ging hij met vakantie „naar een wintersportland”. Uit de partij kwam kritiek, vooral omdat de stabiliteit van Verhagens eigen kabinet op het spel stond. „Maar voor een vader, of hij nu politicus is of een ander beroep heeft, is het goed om eropuit te gaan”, zei de CDA-woordvoerder toen. „Mocht iemand kritiek hebben op zijn vakantie, dan past dat niet bij een gezinspartij als het CDA.”

In juni hield Verhagen een toespraak over populisme. Hij zei toen op een bijeenkomst voor partijgenoten de vrees voor buitenlandse invloeden „begrijpelijk” en „terecht” te vinden. Nederlanders zouden meer moeten luisteren naar de zorgen dat buitenlanders Nederland blijvend veranderen, dat „buitenlandse producten” ook een „buitenlandse ziekte” met zich kunnen meebrengen, dat kerken vervangen worden door islamitische gebedshuizen, dat immigranten Nederlandse werknemers te snel af zijn of dat nieuwkomers zich niet aanpassen.

Hij benadrukte nog eens voor welke bühne deze woorden bestemd waren door te zeggen dat „ook mijn eigen CDA” zich aangesproken moest voelen.

Het derde moeilijke pr-moment kwam vorige maand. NRC Handelsblad hield in samenwerking met onderzoeksbureau OverheidInNederland.nl een statistisch betrouwbare enquête onder CDA-politici in het land. Een van de vragen was wie dan de nieuwe partijleider moest zijn. Voor Verhagen koos slechts 3 procent, in Flevoland, Friesland en Zeeland zelfs 0 procent.

In een tv-programma werd hem daarop gevraagd wat hem dat als leider deed. „Dan kom ik op zo’n congres en krijg een staande ovatie”, zei hij tegen WNL. „Dat zegt mij meer. Die mensen geven aan: we steunen je en staan achter je.” Dat verraste u, vroeg de journaliste hem retorisch. „Omdat je misschien toch een beetje bang bent”, lachte Verhagen, „dat zo’n krant gelijk heeft.”