Topkunst breekt weer records

Sinds het ‘rampjaar’ 2009 lijkt het op de internationale kunstmarkt weer wat beter te gaan. Moderne kunst levert weer recordbedragen op. En de Chinezen kopen „alles wat los- en vastzit”.

Het economisch tij voor de PAN lijkt gunstig. De internationale hedendaagse kunstbeurs FIAC, die vorige maand in Parijs werd gehouden, liep goed. Twee schilderijen van Nicolas de Staël gingen vlot voor elk 2 miljoen euro van de hand, een collectie werken van Damien Hirst ging weg voor ongeveer hetzelfde bedrag en een neonsculptuur van Dan Flavin werd verkocht voor bijna 400.000 euro.

Vorig jaar liep de PAN ook goed. Galerie Mokum verkocht het topstuk uit zijn collectie, het schilderij Paradijs van Dick Pieters, voor meer dan 100.000 euro. Galerie Ron Mandos verkocht de installatie Confronting time van Bibi Michèle voor 90.000 euro aan een Belgische particulier.

Beurzen als TEFAF en PAN gelden als ijkpunten voor de kunstmarkt. Jop Ubbens, directeur van veilinghuis Christie’s Amsterdam: „Op beurzen zie je of het goed gaat met de kunsthandel of niet. In een galerie kunnen mensen om een koop heen draaien, nog eens terugkomen. Bij een beurs kan dat niet. Dan is er één moment waarop mensen moeten toeslaan.” De traditionele kunstgalerie lijkt op zijn retour. Handelaren halen gemiddeld 30 procent van hun omzet op kunstbeurzen.

De krimp die de kunstmarkt sinds 2007 trof, was vorig jaar voorbij. Volgens de Ierse onderzoekster Clare McAndrew werd er in 2010 voor 43 miljard euro omgezet op de internationale kunstmarkt, 51 procent meer dan in het ‘rampjaar’ 2009, toen de omzet kelderde van 42 miljard euro in 2008 naar 28 miljard.

McAndrew, oprichter van onderzoeksbureau Arts Economics, schrijft elk jaar een rapport over de internationale kunsthandel in opdracht van The European Fine Art Foundation, die naast de kunstbeurs TEFAF in Maastricht ook de PAN in Amsterdam organiseert. Zij baseert haar onderzoek op gegevens afkomstig van onder meer kunsthandelaren, veilinghuizen en verzamelaars. Uit haar laatste rapport blijkt dat het aandeel van Nederland op de internationale kunstmarkt piepklein is, vergeleken met landen als de Verenigde Staten, China en het Verenigd Koninkrijk: 1,5 procent. Dat wetende is het begrijpelijk dat veilinghuis Sotheby’s eerder dit jaar gestopt is met veilen in Amsterdam.

Toch ziet het concurrerende Christie’s geen noodzaak om hetzelfde te doen. Directeur Ubbens: „Wij zetten ongeveer 35 miljoen euro om, dat is op wereldschaal misschien niet veel, maar wij zijn nog steeds winstgevend.” Bovendien is het voor veilinghuizen belangrijk om een voet op Nederlandse bodem te houden, om kunstwerken op te sporen die elders kunnen worden verkocht. Vandaar ook dat Sotheby’s een kantoor houdt in Amsterdam van waaruit de contacten met klanten worden onderhouden en interessante objecten worden gezocht voor veilingen in Londen en New York.

Stroeve markt

Op de internationale kunstmarkt wordt ongeveer evenveel verkocht door kunsthandelaren als door veilinghuizen. Volgens kunsthandelaar Frank Buunk liep de handel de afgelopen drie jaar „stroef”, maar sinds een paar weken ziet hij de zaken eindelijk weer aantrekken. „Ik denk niet dat het een teken is dat het einde van de recessie in zicht is”, zegt hij. „Eerder denk ik dat mensen die een paar jaar voorzichtig zijn geweest met grote uitgaven, nu weer zin krijgen om iets te kopen. Je kunt niet eeuwig de hand op de knip houden, dat houd je niet vol. Kunst is nu het beste alternatief voor goud, nu de prijs van goud zo extreem gestegen is. Kunst geeft bovendien een ‘hedonistisch rendement’, in je hart, in je levensvervulling.”

Naast Nederland verliezen ook andere Europese landen, zoals Engeland en Frankrijk, terrein op de internationale kunstmarkt. McAndrew waarschuwt dat de concurrentiepositie van Europa nog verder zal verslechteren als het zogenoemde volgrecht wordt uitgebreid. Dit auteursrecht (een percentage van de verkoopprijs variërend van 0,25 tot 4 procent, met een maximum van 12.500 euro), dat geldt tot zeventig jaar na het overlijden van een kunstenaar, is in de hele Europese Unie al van toepassing voor werken van levende kunstenaars. De markt voor werk van overleden kunstenaars is echter veel groter.

Volgrecht

Het volgrecht voor werk van gestorven kunstenaars geldt momenteel nog niet in Groot-Brittannië, Ierland, Nederland, Oostenrijk en Malta. Maar in de EU bestaat het plan om dit volgrecht vanaf 2012 uit te breiden naar deze lidstaten. De belangrijkste markten buiten de EU, de VS en China, hebben geen plannen in die richting. Als de EU het volgrecht uitbreidt, schrijft McAndrew, kan een Europese handelaar werken die meer waard zijn dan 40.000 euro beter naar New York sturen voor de verkoop. Dat is lucratiever.

De omzet op de internationale kunstmarkt was in 2010 weliswaar weer op hetzelfde peil als in 2008 (bijna 42 miljard euro), maar het aantal transacties was lager: 35 miljoen tegenover 44 miljoen. Dat de omzet toch zo hoog is, komt volgens McAndrew doordat er in 2010 meer dure kunstwerken werden verkocht. Ruim 80 procent van de omzet op de internationale kunstmarkt werd bepaald door werken die voor 50.000 euro of meer werden verkocht. Zoals een schilderij van Picasso, Nu au Plateau de Sculpteur, dat in mei 2010 in New York werd geveild voor het recordbedrag van 106,5 miljoen dollar (84 miljoen euro). Of het beeld L’homme qui marche van Giacometti, dat in februari 2010 bij Sotheby’s in Londen werd verkocht voor 65 miljoen pond (74 miljoen euro).

Maar volgens McAndrew had maar 5 procent van de verkochte werken op de internationale kunstmarkt een waarde die de 50.000 euro oversteeg. Dat betekent dat er nog heel veel kleinere transacties plaatsvinden, die samen bijna 20 procent van de omzet genereren.

„De kunstmarkt kent veel lagen”, zegt ook veilingdirecteur Ubbens. „Naast een mondiale markt, met knooppunten in steden als New York en Hongkong, waar de grote transacties worden gedaan, zijn regionale markten waarop grote volumes worden verkocht nog steeds heel sterk. Dat zijn markten die absoluut bestaansrecht hebben. Ook bij ons veilingfiliaal worden regelmatig kunstwerken voor recordbedragen verkocht.” Het hoogtepunt voor Christie’s Amsterdam was vorig jaar de verkoop van een landschap van Barend Cornelis Koekkoek dat 673.000 euro opbracht, driemaal zoveel als van tevoren werd geschat.

Het land waar het meeste aan kunst wordt omgezet, is de Verenigde Staten (34 procent). Voorheen volgde daarna het Verenigd Koninkrijk, maar dat is van de tweede plaats verdrongen door China (23 procent). Volgens onderzoekster McAndrew is deze verschuiving de meest opmerkelijke ontwikkeling van de afgelopen jaren op de internationale kunstmarkt. Ze schrijft: „De kunstmarkt in China is sinds 2009 bijna verdubbeld in waarde. De veilinghuizen in China zetten in 2010 bijna 6 miljard euro om.”

De Chinese consument is volgens Clare McAndrew van groot belang voor het herstel op de kunstmarkt. In 2010 waren er voor het eerst evenveel ‘High Net Worth Individuals’, rijke consumenten, in Azië als in Europa. En de rijkdom van de Aziatische consumenten was groter.

Nationaal erfgoed

„Er zijn daar veel miljonairs en miljardairs”, zegt ook Ubbens van Christie’s. Volgens hem zijn Chinese en andere Aziatische kopers met name geïnteresseerd in het ‘terugkopen’ van hun eigen cultureel erfgoed. „Ik zie een parallel met de jaren zeventig en de jaren negentig, toen er in respectievelijk Latijns-Amerika en Indonesië een rijke bovenlaag ontstond die zich manifesteerde op de kunstmarkt. Ook bij hen zag je dat ze vooral interesse hadden in dat wat ze als nationaal erfgoed beschouwden. Hetzelfde geldt voor China. Nu de grenzen voor een deel open zijn, kopen ze alles wat los- en vastzit, maar vooral Chinese en Aziatische dingen. Ik ben benieuwd of we de komende jaren een omslag in die interesse zullen zien. Gaan ze ook Picasso of Warhol of hedendaagse kunst uit westerse landen kopen?”

Naast Chinezen zijn ook vermogende Brazilianen, rijke Russen en de Indiërs uit de bovenklasse belangrijke kopers geworden. De veilinghuizen in Londen en New York houden speciaal op hen gerichte veilingen. Daar worden soms recordprijzen betaald voor werken van kunstenaars die in het Westen volslagen onbekend zijn.

Kunsthandelaar Buunk verkocht recentelijk 42 schilderijen aan een Rus, via een intermediair. Zeegezichten van onder anderen de familie Koekkoek, A.Schelfhout, L.J. Kleijn, A. Hulk en Nicolaas Riegen. „Ze hangen in een boot op de Zwarte Zee”, zegt Buunk. „Sommigen zeggen tegen mij: vind jij het niet jammer dat die werken uit Nederland verdwijnen? Maar ik zie het als een visitekaartje voor Nederland. En over honderd jaar zijn die werken ook weer gewoon terug op de kunstmarkt.”