Toch maar geen proefschrift

Vandaag is het zeventig jaar geleden dat ik, een paar dagen vóór de sluiting van de universiteit door de Duitsers, in Leiden mijn doctoraal rechten haalde. Het heeft me altijd een beetje dwarsgezeten dat ik niet gepromoveerd ben, want een proefschrift is toch de kroon op een academische studie.

Excuses lagen voor de hand, zoals een opgroeiend gezin of werk dat volle aandacht vroeg. Maar er zijn voorbeelden die aantonen dat die excuses maar betrekkelijk geldig zijn. Nu is het te laat.

Wat zou het thema van mijn proefschrift moeten zijn? De laatste tijd heeft de vraag mij steeds vaker beziggehouden of de Verlichting, waarvan ook ik een kind ben, niet op een grote vergissing berust. Wat heeft de emancipatie van de mens van ‘hogere krachten’ opgeleverd? Heeft de twintigste eeuw niet aangetoond dat de mens die zich van God bevrijd heeft, verleidbaar is gebleken voor andere, demonische krachten, valse goden?

Hitler, die miljoenen aanhangers had – niet alleen in Duitsland! – is het levende bewijs van die verleidbaarheid, meer dan zijn kompanen-in-de-misdaad Stalin en Mao, die nog gezien kunnen worden als perverteringen van een op zichzelf rationele ideologie.

De mens is dus, anders dan de Verlichting wil, niet sterk, maar zwak. De irratio heeft op zijn minst evenveel vat op hem als de ratio, zo niet meer. Het christendom heeft er een woord voor: de mens is zondig – hoewel veel kerken dit woord lijken te mijden en zichzelf liever een ethische opdracht geven.

Zeker, ethiek is onmisbaar voor een samenleving, die zonder haar uiteenvalt. Maar dit is een kwestie tussen mensen, terwijl het in de godsdienst om de relatie tussen de mens en zijn God of goden gaat. God is, als hij bestaat, niet een extrapolatie of een uitvergroting van onze ethiek, ook niet de Grote Bevestiger van wat wij vinden dat goed en kwaad is.

Sterker: de ontmoeting tussen mens en God kan verschrikkelijk zijn, want hier hebben we te maken met twee totaal verschillende werkelijkheden. „Het is vreselijk te vallen in de handen van de levende God”, zo staat in de brief aan de Hebreeën. En getuigt het kruiswoord „Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?” ook niet van het vreselijke besef dat God anders is dan zelfs Christus zich voorgesteld had?

In beginsel is het mensbegrip van het christendom realistischer dan dat van de Verlichting. Je hoeft zelf niet godgelovig te zijn om daarvan overtuigd te zijn. In dat geval spreek je liever van het menselijk tekort – la condition humaine – dan van zonde. Het is geen optimistische mensbeschouwing die hier geëtaleerd wordt, maar optimisme is na ‘Auschwitz’ domheid, en dat de mens daarvan geleerd heeft, daarvan bewijzen de massamoorden sinds 1945 het tegendeel. Wat Europa betreft, hoeven we alleen maar aan Srebrenica te herinneren, waar ook Nederland niet met schone handen uitkwam.

Als deze mensbeschouwing juist is, dan zijn de erfgenamen van de Verlichting de voornaamste slachtoffers, in de eerste plaats de sociaal-democratie, zoals de neergang van de PvdA aantoont. De geëmancipeerden hebben haar niet meer nodig. Blijven over de doctorandussen. Het liberalisme laat zich meer inspireren door Adam Smiths The Wealth of Nations dan door zijn The Theory of Moral Sentiments. De christen-democratie (geen erfgenaam) is het spoor bijster, niet wetend of zij de Duitse CDU moet volgen dan wel Christus’ Bergrede.

En internationaal? Samenlevingen kunnen, zoals gezegd, niet zonder ethiek. Maar samenlevingen en culturen verschillen van elkaar, dus hun ethieken, hun fatsoensnormen, evenzeer. Er is dus geen ethische basis voor één internationale, zelfs niet voor één Europese samenleving – hoezeer de ratio die ook eist.

Trouwens, de geschiedenis toont aan dat eenheid tussen volken pas ontstaat hetzij door langdurige onderwerping van een of meer volken aan een ander, hetzij doordat verschillende volken zich bedreigd voelen door een gemeenschappelijke vijand. Het eerste zou het einde van de democratie betekenen, het tweede op z’n minst een nieuwe Koude Oorlog – en wie wil dat? Misschien beleven we thans een herfsttij van de Verlichting en van de democratie, die haar gezellin is.

Het is, gegeven deze schets, die op een soort testament neerkomt, misschien maar goed dat er van een proefschrift van mijn hand niets zal komen.