Technocraten zijn Europa's nieuwe politici

De nieuwe premiers van Italië en Griekenland hebben het keurmerk ‘technocraat’ gekregen: crisisbestuurders die boven de partijpolitiek staan. Maar zij zijn óók pro-Europese politici, die weerstand van populisten wacht.

De professor die gisteren in Rome zijn kabinet presenteerde, premier Mario Monti, heeft veel gemeen met zijn vorige week aangetreden Griekse collega Lucas Papademos. Beiden zijn econoom. Beiden doceerden in de Verenigde Staten. Beiden hebben Europese topfuncties bekleed. En geen van beiden diende het land eerder als politicus.

Monti (68) en Papademos (65) hebben, zowel in hun eigen land als daarbuiten, het predicaat ‘technocraat’ gekregen. Het is de term die het verschil benadrukt met hun voorgangers, de wispelturige en eigengereide raspolitici Silvio Berlusconi en George Papandreou.

De taak van de twee technocraten: saneren en hervormen, en met spoed. Ze moeten doen wat de democratisch gekozen Berlusconi en Papandreou niet konden of wilden: het vertrouwen van de financiële markten in hun landen, en daarmee in de euro, herstellen. Al sinds de zomer circuleerden de namen van Monti en Papademos als mogelijke ‘technocratische’ of zakenpremiers, in rapporten van beleggingsfirma’s, in Brusselse bestuurskamers en ook in het Bundeskanzleramt en het Elysée.

Als ze het konden, hadden Merkel en Sarkozy Monti en Papademos waarschijnlijk zelf benoemd. De pressie op Griekenland en Italië was groot. De Italiaanse president Napolitano kreeg vrijdag president Sarkozy aan de lijn. Ook zijn Amerikaanse collega Obama belde. Toen Napolitano zondag Monti voordroeg als premier, werd die laatste meteen bedolven onder Europese felicitaties.

Ook de markten oefenden druk uit: toen het deze week even niet leek te vlotten met Monti’s formatie, liep de rente op Italiaanse staatsobligaties meteen snel op.

Merkel en Sarkozy eisen van Griekenland en Italië hetzelfde als beleggers en kredietbeoordelaars: effectief crisisbestuur in plaats van eindeloos politiek gemanoeuvreer.

Nu de Europese munt echt in gevaar is, moet de nationale politiek even wijken voor de technocratie.

In haar ideale vorm is de ‘technocratie’ het tegenovergestelde van politiek met een kleine ‘p’: een vorm van regering waarin zakelijke oplossingen niet in de weg worden gestaan door geschillen tussen partijen. Niet toevallig dateren de eerste ideeën over ‘technocratisch’ of ‘technisch’ bestuur uit een eerdere periode van economische crisis: de Great Depression van de jaren dertig in de Verenigde Staten. De Technocracy Movement pleitte toen voor economisch bestuur door apolitieke experts.

Tegelijkertijd is het doel achter de aanstelling van de experts Monti en Papademos ook politiek. De twee hebben zich weliswaar altijd verre gehouden van partijpolitiek, maar ze koesteren wel een sterke, gezamenlijke politieke overtuiging: ze zijn zeer pro-Europees en ze vinden dat hun landen hoe dan ook deel moeten blijven uitmaken van de eurozone.

Monti is oud-eurocommissaris voor Interne Markt en Mededinging. Hij is lid van verschillende Europese denktanks, zoals de federalistische ‘Spinelli-groep’.

Papademos, voormalig tweede man van de Europese Centrale Bank (ECB), leidde de Griekse nationale bank toen Griekenland toetrad tot de euro. De twee kennen elkaar uit het internationale circuit, onder meer omdat ze allebei lid zijn van de Trilateral Commission, een Europees-Amerikaans-Aziatische denktank van politici en zakenlieden.

Juist vanwege hun pro-Europese cv’s vallen Monti en Papademos in Europa in de smaak. Anders dan Berlusconi en Papandreou zullen ze de gedetailleerde to do-lijsten van de Finse eurocommissaris Rehn (Monetaire Zaken) wel degelijk serieus nemen, zo is de hoop in Brussel.

De twee technocraten treden aan in Rome en Athene, nu ook uit Brussel de invloed van de technocratie snel toeneemt. Te midden van de ernstig geëscaleerde eurocrisis reikt de arm van de Europese Commissie – bij uitstek een technocratisch orgaan – steeds verder. De Commissie speelt een sleutelrol in de verscherpte controle op uitgaven en hervormingen in Griekenland en Italië. De gesprekspartners ter plaatse: Europese technocraten.

Technocraten aan de macht om de euro te redden – de ontwikkeling leidt tot grote zorg onder commentatoren in heel Europa. In een groot artikel in de Spaanse krant El País schreef analist José Ignacio Torreblanca afgelopen weekeinde dat „de eurocrisis en de crisis van de democratie nauw met elkaar verbonden zijn”. Onder zware druk van de financiële markten gooien de gekozen politici het bijltje erbij neer, schrijft Torreblanca. En dan krijg je mensen als Monti en Papademos aan het roer, die de „kwintessens van de technocratie” vertegenwoordigen.

Toch is de democratie in Italië en Griekenland niet opeens buiten werking. Premier Monti presenteerde gisteren een zakenkabinet met louter technocraten – maar dat was niet zijn bedoeling. Hij probeerde de afgelopen dagen juist verwoed om enkele prominente politici, van links én rechts, in zijn kabinet op te nemen. „Essentieel”, zei Monti deze week nog, is het verzekeren van de steun van de grote partijen. Maar de grote partijen blokkeerden dinsdagavond elkaars ministerskandidaten – een teken dat ook Monti niet aan de partijpolitiek ontsnapt.

Net als Berlusconi is Monti afhankelijk van parlementaire meerderheden. Een eerder Italiaans zakenkabinet onder leiding van premier Lamberto Dini (1995-1996) moest aftreden omdat in het parlement onvoldoende steun was overgebleven.

In Griekenland leidt zakenpremier Papademos geen zakenkabinet, maar een grote coalitieregering. Daarin zitten ministers van Papandreou’s Pasok (zoals minister van Financiën Evangelos Venizelos, die is aangebleven), van de oude oppositiepartij Nieuwe Democratie (ND), en zelfs van de extreem-rechtse en antisemitische partij Laos.

De technocratie heeft ook in Griekenland geen einde gemaakt aan het politieke bedrijf. ND-leider Samaras weigert een door de EU geëiste verklaring over bezuinigingen te ondertekenen, waarmee hij Europese noodsteun voor zijn land in gevaar brengt. Samaras wil al in februari vervroegde verkiezingen.

Het is dan ook de vraag hoe lang de ‘technocratische’ periode zal duren. Torreblanca maakt zich in El País vooral zorgen over de periode daarna. Wat als de beide regeringen mislukken? Dan hebben, na de partijpolitici, ook nog eens de technocraten afgedaan. „En dan zullen maatschappijen de neiging hebben om terug te grijpen op het populisme.”

Juist vanwege hun sterke Europese profiel lijken Monti en Papademos extra vatbaar voor populistische kritiek. De Griekse communisten betitelen Papademos als „de keuze van de Griekse plutocratie en de Europese Unie”. Hij zou „geen democratische legitimiteit” hebben.

In Italië maakt de eurosceptische, populistische Lega Nord zich al op voor oppositie op rechts. De partij weigert als enige Monti te steunen.