Politici? Ik spreek namens mezelluf

Kun je spreken namens een groep die je niet aanvoelt? Burgers hebben door dat ze niet precies passen in de mallen die instituties hun opleggen, stelt Stine Jensen vast.

De vanzelfsprekendheid van representatie staat onder druk. Volksvertegenwoordigers, vakbonden, werkgevers en ouderraden hebben allang niet meer het gezag dat hun vroeger werd toebedeeld. Als mogelijke oorzaken kunnen wij natuurlijk denken aan grote maatschappelijke ontwikkelingen – globalisering, individualisering enzovoorts – maar het begint toch echt allemaal bij deze representatieve organen zelf.

De Amerikaanse filosoof Linda Alcoff schreef ooit een prachtig stuk, The Problem of Speaking for Others. Ze maakt hierin het verschil tussen spreken over anderen en voor of namens anderen.

Bij het eerste voelen we ons vaak ongemakkelijk. Stelt u zich eens voor dat straks bij het vragenrondje een of andere kerel opstaat die zegt dat hij even iets wil zeggen namens alle vrouwen in de zaal. Die vrouwen denken dan: toeterdetoet gast, ga jij even lekker namens jezelf spreken! Je kan over ons vrouwen spreken, maar niet namens ons.

Mannen die namens vrouwen spreken, dat kan niet meer in deze tijd en vrouwen die namens alle vrouwen spreken trouwens ook niet. De woede die vrouwen als Heleen Mees, Elma Drayer of Marianne Zwagerman losmaken als ze de hele goegemeente aan vrouwen voor ‘deeltijdfeminist’, ‘verwende prinses’ of ‘theemuts’ uitmaken, heeft hiermee te maken. Zij spreken over vrouwen, maar niet namens hen.

Dit wekt irritatie. Zoals ‘De Nederlander’ niet bestaat, bestaat ‘De Vrouw’ natuurlijk ook niet. Namens ‘Het Volk’ spreken, mag in populistische tijden daarentegen rekenen op grote sympathie. Let wel – ook hier wordt vaak een retorische truc uitgehaald, precies de omgekeerde: ik spreek niet namens u, maar voor u, want zij doen het niet en denken alleen aan zichzelf!

Goed. Stel je eens voor dat dezelfde kerel die namens alle vrouwen iets wilde zeggen na afloop toch veel indruk heeft gemaakt met zijn opmerking namens of over alle vrouwen en dat hij dan ineens zou afhaken, omdat hij het helemaal eens is met degenen die vinden dat hij nooit meer over, voor en namens vrouwen mag spreken. Dit betekent dat hij nooit verder zou willen of kunnen kijken dan zijn eigen hachje.

Wie zegt alleen namens zichzelf te spreken, ontneemt zichzelf zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid en maakt zichzelf (politiek) krachteloos, maar het ‘wij’ namens wie je spreekt, is een heikel punt. Mag een kinderloze vrouw uitspraken doen over kinderopvang en borstvoeding? Natuurlijk, zou ik zeggen.

Heleen Mees kreeg ooit moederend Nederland over zich heen toen zij uitspraken deed over het slappe deeltijdfeminisme van deze vrouwen. Ik vond toen dat zij het recht had om namens moeders te spreken – ook zij betaalt voor kinderopvang immers mee, via de belasting – maar nu ik zelf een kind heb, weet ik niet zo zeker meer of je, wanneer je bepaalde ervaringen niet heb gehad, zo stellig kan spreken namens een groep in een bepaalde situatie. Zelfs als je een ervaring deelt, hoeft deze niet dezelfde te zijn, of althans: zie je de versie van deze ervaring liever gerepresenteerd op een andere wijze.

Dit zou betekenen dat alleen zij die een bepaalde ervaring delen, erover zouden mogen spreken. Dat is natuurlijk onzin. Dan zou je als blanke niet mogen strijden tegen racisme. Je kunt al helemaal niet spreken namens dieren. Die woordvoerderskwestie is dus ingewikkeld.

Je zou, met Alcoffs tweedeling in gedachten, kunnen stellen dat wij in deze tijd steeds meer namens onszelf zijn gaan spreken en steeds minder voor anderen. Dit is enerzijds een goede ontwikkeling, die we hebben te danken aan succesvolle emancipatoire bewegingen. Het autonome individu heeft geen vertegenwoordigers nodig en zegt zelf wel hoe de vlag erbij hangt. Het wil als individu worden erkend en niet als lid van een groep.

Het is inmiddels volkssport nummer één om vrijelijk je mening te uiten namens ‘jezelluf’. We hoeven niet te wachten totdat iemand om die mening vraagt. We twitteren haar onbezorgd – hups – de ether in. Met het aantal tweets van sommige burgers kun je inmiddels een lint rond de aarde leggen.

De populariteit van deze volksport heeft te maken met gezonde assertiviteit, maar ook met polderen. We horen graag de mening van iedereen. Google maar eens op ‘uw mening telt’. Je krijgt 360.000 hits met bedrijven, gemeenten en opiniepeilers die aan consumenten, kiezers, burgers vragen wat ze ergens van vinden. Op tal van blogs kun je anoniem je mening geven. Dit leidt vaak tot een openbare vuilstort van meninkjes en scheldpartijtjes.

De Deense filosoof Søren Kierkegaard zou sommige van deze blogs met afgrijzen hebben bekeken. Mensen eisen vrijheid van meningsuiting als compensatie voor de vrijheid van denken waarvan ze zelden gebruik maken, sprak Kierkegaard.

Ik word zelf regelmatig gebeld om ergens mijn mening over te geven. Dan willen ze meestal weten wat ik „als feminist” ergens van vindt. „Wat vind je van Wouter Bos, die voor zijn gezin kiest?” Ik geef mijn mening graag en zie het zelfs een beetje als een Kantiaanse plicht om het te doen. Emancipatie is mondigheid. Als je besluit niet je mening te geven, moet je ook niet mopperen dat zo weinig vrouwen wordt gevraagd om hun mening.

Ik voel me soms ongemakkelijk om het te doen namens alle feministen. Zij vliegen elkaar immers graag in de haren en zeggen dan: jij spreekt niet namens mij als feminist! Dit zwakt onmiddellijk de kracht af van het spreken namens een groep. We zijn zozeer namens onszelf gaan spreken dat we ‘onze’ – dit zet ik tussen aanhalingstekens, want wie ‘onze’ is, is precies wat wordt betwist – zeggingskracht hebben verloren.

Alcoff benoemt nog een paar andere heikele filosofische kwesties omtrent het spreken namens jezelf. Spreken namens jezelf produceert altijd een ‘ik’ dat is ingebed in bepaalde instituties en in een samenleving. Dit zuivere ‘ik’ bestaat dus niet. Het is naïef te denken dat je ‘namens jezelf’ kunt spreken.

Ook wie – omgekeerd – niet namens zichzelf, maar namens anderen spreekt, zit in de filosofische puree. Hij pleegt altijd een machiavellistische coup. Het spreken namens anderen lijkt een grootmoedige kwestie – ik kom voor jullie op! – maar wordt in feite geboren uit een verlangen tot overheersing. Je herschrijft de ander, opdat hij past in jouw verhaal.

Ik herken dit wel. Ik ben de helft van een eeneiige tweeling. Mijn zus is zeer lang – zo’n dikke vijftien jaar – onze gemeenschappelijke woordvoerder geweest. Zij deed het sociale werk en geregel voor en namens ons. Dit vond ik best comfortabel, totdat ik vond dat ik werd overheerst en aankondigde dat ik vanaf nu namens mezelf zou spreken.

Dit ging niet vanzelf. Als mij om mijn mening werd gevraagd, begon ik veel zinnen met: „Mijn zus zou zeggen…” Op deze momenten realiseerde ik me dat mijn ‘ik’ inderdaad is ingebed en gevormd door allerlei structuren, waaronder die van de familie.

Misschien ligt in deze filosofische analyse een sleutel voor het begrijpen waarom burgers zich niet meer gerepresenteerd voelen door instituties. Aan de lopende band herschrijven instituties de ander en die ander, dat bent u en dat ben ik. Instituties modelleren, reduceren en kneden ons tot een pop die past in hun verhaal. De burger voelt dat aan en antwoordt dat hij namens zichzelf kan spreken.

We laten ons niet meer bedotten. Dit is zo’n beetje de nieuwe mores. We zijn allemaal kritische Kantianen en lopen over van mondigheid en meningen. Geen institutie zal ons vertellen hoe het zit! Dit maken we zelf wel uit!

De stellige mening regeert.

Stine Jensen is filosoof, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Dit is een deel van de Verwey- Jonker/SER Lezing, die ze vanmiddag uitsprak in Den Haag.