Nederland krimpt en wie krijgt de schuld?

Nederland slikt zelf het medicijn dat het andere Europese schuldenlanden voorschrijft. En wat gebeurt er? De Nederlandse economie krimpt. En wie krijgt de schuld? De Europese schuldencrisis. „Onrust Europa krijgt vat op de Nederlandse economie”, twitterde economie- en innovatieminister Maxime Verhagen na het onverwachte nieuws van de 0,3 procent krimp in het derde kwartaal.

Elders in Europa nam de onrust de bedrijvigheid gek genoeg niet in een nekklem. Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk boekten in het afgelopen kwartaal wel groei, rond 0,5 procent.

Het economisch beleid dat Nederland propageert én uitvoert, is het voorland van Europa. Het kabinet-Rutte stelt als voorwaarde voor financiële steun aan andere schuldenlanden dat zij hun overheidstekorten reduceren. Nederland bepleitte daarvoor zelfs een aparte eurocommissaris met vergaande bevoegdheden.

De andere eurolanden moeten meer worden zoals wij zijn en zoals de Duitsers zijn: exportgedreven, spaarzaam, met een arbeidsmarkt waar rigide contracten taboe zijn en de overheid geen banenmotor of vroegpensioenfinancier is.

Is dat een realistisch scenario of een recept voor meer politiek-sociale onrust à la Griekenland en Italië? De tweede uitkomst lijkt realistischer, als straks ook grote landen hun economie zien verzakken. Europa krimpt, maar ik voorspel een piek in de vraag naar technocraten.

Het kabinet-Rutte doet ondertussen wat het heeft beloofd: de overheid is geen geluksmachine, maar een krimpmachine. Het aantal banen bij de overheid en in het onderwijs is de afgelopen vier kwartalen, het tijdperk Rutte, met 17.000 gedaald. De afgelopen drie maanden was de daling zelfs 26.000 ten opzichte van het kwartaal daarvoor.

Gezien de krimpende economie en de inmiddels al vier maanden stijgende werkloosheid is de politiek-economische hamvraag: hoe te reageren?

Voor een antwoord kunnen we de vier aanjagers van de economie langslopen en zien wat hun bijdrage is: overheid, bedrijfsleven, buitenlandse producenten en consumenten en tenslotte u, de Nederlandse consument.

De overheid heeft nog steeds een begrotingstekort, geeft dus meer geld uit dan zij aan belastingen ontvangt en stimuleert zodoende nog steeds de economie.

Het bedrijfsleven sombert steeds meer: de industrie ziet minder orders, de winstgevendheid verslechtert, de investeringen groeien nog, maar niet heldhaftig. Kortom: een lichte stimulans.

Drie: de handel met het buitenland. Over de eerste negen maanden ligt de export 30 miljard euro hoger dan de invoer. Buitenlandse producenten en consumenten stimuleren met hun koopkracht nog steeds de Nederlandse economie.

De vier partij is de Nederlandse consument. U dus. U krijgt nu de ‘schuld’. U heeft in het afgelopen kwartaal minder geconsumeerd.

Toch stimuleert ook u de economie. Consumenten geven volgens cijfers (over 2010) en schattingen (2011 en 2012) van het Centraal Planbureau per saldo meer uit dan zij ontvangen aan inkomen, zoals salaris en uitkeringen.

Dat klinkt op het eerste gezicht tegenstrijdig, maar het is een inmiddels hardnekkig patroon van de Nederlandse economie. Wij consumeren al jaren ook een deel van het rendement op onze enorme vermogens (huizen, spaargeld, beleggingen). In de portemonnee zit minder beschikbaar inkomen, maar wat er in zit gaat er helemaal uit. En nog meer. Dus ook de consument stimuleert de economie.

Als iemand u zegt: pas op dat we de economie niet „kapot bezuinigen” dan kunt u gerust antwoorden: hoezo bezuinigen? Het is crisis, maar iedereen stimuleert de economie.

menno tamminga