Het mirakel van 'Made in Italy'

Ondanks Berlusconi bleef Italië overeind. Kun je nagaan hoe goed het straks zal gaan.

Italië is altijd erg rijk geweest. Dit land is een permanent wonder.

„Berlusconi is een ziekte die je slechts bestrijdt met een vaccin.” Dat zei de journalist Indro Montanelli in 2001. Verbitterd, want hij had toen al begrepen dat Berlusconi de verkiezingen zou winnen.

Montanelli was één van de oudste en meest gerespecteerde journalisten van dat moment. Laten we in godsnaam dan maar hopen dat Berlusconi wint, vond hij. „Want alleen door het virus toe te dienen, zal het volk uiteindelijk immuun voor hem worden.”

Hij kende Berlusconi goed. In de jaren negentig was Montanelli namelijk hoofdredacteur van Il Giornale, het dagblad van de ‘cavaliere’.

Ik las nooit Il Giornale, bij mij thuis lag Il Manifesto, want mijn vader is altijd communist geweest – het tegenovergestelde van Montanelli. Maar op dit punt waren we het met Montanelli eens. Er waren genoeg Italianen die zich door Berlusconi lieten ‘besmetten’, deze positieveling met zijn tandenpastaglimlach, die minder regels en ‘minder belasting voor iedereen’ beloofde.

Hij won die verkiezingen, en die daarna. Vervolgens wist hij de Italianen ook nog eens te overtuigen dat ze immuun waren voor de crisis, want Italië was immers ‘bijzonder’, een geval apart.

En in zekere zin was Italië dat ook. Italië is namelijk altijd een erg rijk land geweest. Die rijkdom bevindt zich vooral in de Italiaanse families. Ze werken en sparen en houden zich ver van de beurs in Milaan. Italië heeft de op één na grootste productie van Europa.

Alleen dankzij dat soort rijkdom kon een land met 1800 miljard euro schuld zich een dergelijke afwachtende houding permitteren. Ik heb dan ook goede hoop op een renaissance. Dat het land – ondanks Berlusconi – toch één van de acht sterkste economieën (de G8) ter wereld heeft kunnen blijven, is veelzeggend voor haar kracht.

Want het is niet niks, wat Berlusconi de Italiaanse economie heeft aangedaan. Eén van vele voorbeelden: bij aanvang van zijn premierschap in 2008 begon hij meteen met het afschaffen van de belasting op het eerste huis. Hierdoor liep de staat volgens Istat (het Italiaanse CBS) bijna drie miljard euro per jaar mis. Terwijl de Italiaanse staatsschuld toen al torenhoog was.

Berlusconi heeft het bestaan van de crisis altijd simpelweg ontkend of gebagatelliseerd. „In Italië voelt men de crisis niet”, zei hij laatst nog, op 4 november in Cannes. „De restaurants zitten vol en de vliegtuigen zijn zo overladen, dat het moeite kost een ticket te boeken.”

Berlusconi richtte het vertrouwen van de buitenwereld in Italië zorgvuldig te gronde. De liberale hervormingen die hij in ’94 beloofde, voerde hij nooit door. Hij zou het aantal lokale overheden drastisch verminderen, maar onder hoge druk van de publieke opinie liet hij ook dat zo goed als achterwege. Volgens de Corte dei Conti (het orgaan dat de collectieve uitgaven bijhoudt) verliest de staat per jaar 60 miljard euro aan corruptie en belastingontduiking. In plaats daarvan stimuleerde Berlusconi het cliëntelisme, door in iedere publieke organisatie zijn eigen mensen op de belangrijke posities te zetten. Hij belde rechtstreeks naar de ‘onafhankelijke’ bazen van de Rai (publieke televisiestations) en de AGCOM (de mededingingsautoriteit van de communicatiesector) en vertelde ze doodleuk wat ze wel en niet mochten.

Veel Italianen die ik ken hadden ondertussen iedere hoop laten varen en geloofden niet dat Berlusconi ooit nog zou aftreden (mijn vader al helemaal niet). Pas zaterdagavond, toen het officiële bericht kwam, durfden ze het te geloven.

Eindelijk heeft Berlusconi het toneel verlaten. Zeventien jaar nadat hij voor het eerst aantrad, bevindt Italië zich op hetzelfde punt – alleen heeft het land nu een hogere schuld en riskeert het een faillissement. Mister B. is de enige die aan dit avontuur verdiend heeft.

Wat we nu dus nodig hebben: een flinke dosis antistoffen. De nieuwe regering zal het vertrouwen in het land moeten heroveren – vertrouwen dat ook de Italianen zelf hadden verloren.

Het wordt tijd voor een regering die de enorme potentie van de Italiaanse productie tot bloei laat komen, in plaats van haar te blokkeren.

Denk eens aan al die Italiaanse producten die over heel de wereld geëxporteerd worden: van kleding tot eten, van staal- tot glaswerk, tot design. Het stikt van de producten met ‘Made in Italy’ op de achterkant – en het zouden er nog veel meer kunnen zijn.

Dáár zit de rijkdom van Italië. En dan hebben we het nog niet eens over de kunst en geschiedenis: Italië is één van de meest bezochte landen in de wereld en het land met het meeste Unesco-erfgoed.

De komiek Roberto Benigni maakte dit vorige week in een hilarische speech in het Europese parlement nog maar eens duidelijk. In een vogelvlucht door de geschiedenis toonde hij aan dat Italië een ‘land van wederopstand’ is, een ‘permanent wonder’. Want hoe vaak is Italië in de eeuwen niet gevallen en weer opnieuw geboren – beter dan voorheen.

Federico Lanzo (1984) is een Italiaanse journalist. Hij woont in Amsterdam. Zie ook zijn website www.mediocrazia.com.