Geen zangeres zonder musical

Twee biografische musicals gaan de komende weken in première: Ramses en De Zangeres zonder Naam. De liedjes zijn er al. Maar verzin maar eens de constructie waarin ze passen. „Je loopt tegen de werkelijkheid op.”

De oude Ramses Shaffy brengt zijn levensavond door in een verzorgingshuis. Hij zit naast de piano in de grote hal en mijmert wat. Tot opeens zijn jonge evenbeeld in de deuropening staat, met een fles wijn en twee glazen. De jonge Shaffy moet alles nog beleven, de oudere kijkt daarop terug – met een haperend geheugen, waardoor hij niet meer precies weet of al zijn herinneringen wel kloppen.

Dat schept het kader voor de nieuwe musical Ramses. Maar het kan ook anders. De musical De Zangeres zonder Naam begint met een jong meisje dat auditie doet voor een tv-talentenjacht met een liedje van de zangeres die haar grote voorbeeld is. De jury vindt haar optreden nogal ouderwets en verwijst het zangeresje naar een wachtkamer. Daar verschijnt de echte Zangeres voor haar geestesoog (en op het toneel) om haar te troosten: zelf werd de diva van het levenslied immers pas ontdekt toen ze al 36 was. Waarna het levensverhaal zich kan ontrollen.

Het zijn twee verschillende vormen, maar één belangrijk element hebben beide producties gemeen: ze putten rijkelijk uit het originele repertoire van de hoofdpersoon. Zodat het publiek, in muzikaal opzicht, weet wat er komt. Niemand hoeft hier eerst te wennen aan nieuwe liedjes op nieuwe melodieën, zoals bij een reguliere musical. Hier dringt de herkenning zich onmiddellijk op, inclusief het bijbehorende nostalgiegevoel. Met dat verkoopargument heeft de producent eerder de theaterdirecteuren overgehaald tot het boeken van de voorstelling, waarna er vaak een gretig publiek op afkomt. Dat bleek vorig seizoen bij het tintelende Toon, over Toon Hermans, en ook een jaar of twaalf eerder al met het bezienswaardige Oh Johnny waarin de volkszanger Johnny Jordaan de hoofdpersoon was.

Vergrootglas

Niets lijkt makkelijker dan het maken van een musical over een populair artiest. De nummers zijn er al, een groot publiek is bij voorbaat geïnteresseerd en meestal bestaat er al ten minste één biografisch boek waaruit de scenarioschrijver de levensbeschrijving kan plukken. Maar zo’n routineus opzetje laat weinig ruimte voor iets artistiekere ambities. Wie meer wil dan een simpel showtje waarin oude hits worden uitgemolken, stuit al snel op de belemmeringen van de biomusical. „Het is het moeilijkste wat er is”, zegt Frank Ketelaar, die dezer dagen samen met Kees Prins het scenario schrijft voor de musical over André Hazes die het theaterbedrijf van Joop van den Ende volgend jaar wil uitbrengen. „Zodra je een constructie hebt verzonnen die interessante mogelijkheden voor een dramatische ontwikkeling biedt, loop je tegen de werkelijkheid op. En van de werkelijkheid mag je niet te veel afwijken. Dramatiseren moet, maar je wilt niet een compleet ander verhaal vertellen.”

Het allerlastigste is, aldus Ketelaar, het bedenken van de constructie – het raamwerk waarin alle scènes en liedjes passen: „Een verhaal waarin iemand wordt geboren en ten slotte doodgaat, is niet zo boeiend. Je zoekt één aspect waar je een vergrootglas boven kunt houden. Je moet je afvragen: waar héb ik ’t precies over?”

Albert Verlinde, producent van Ramses, is het daarmee eens. „Je moet uit het levensverhaal altijd een keuze maken”, meent hij. „Je moet zoeken naar een thema dat een theatervoorstelling de moeite waard kan maken. Toen we Piaf gingen maken, met Liesbeth List in de hoofdrol, ging dat volgens mij over de vraag wat het betekende om beroemd te worden in een tijd dat de roem via de massamedia nog maar net in opkomst was. Toen we Billie Holiday produceerden, met Ruth Jacott, was het thema: hoe kon je je als zwarte vrouw handhaven toen de slavernij nog maar net voorbij was en de meeste zwarten nog in getto’s in de grote steden leefden? En voor mij gaat Shaffy over de vraag: wat betekent je herinnering als die beschadigd is? Zo moet er altijd een intrigerend verhaal zijn, vind ik.”

Ook voor de musical Doe Maar!, die Verlinde in 2007 produceerde, stond hem een helder thema voor ogen: „Hoe een links georiënteerd popbandje een rechtse supermacht werd, dat leek me een interessant idee. Maar dat ging niet door, omdat de jongens van Doe Maar niet wilden dat er een biografische musical over henzelf zou komen.” Uiteindelijk werd dat iets heel anders: een fictief familieverhaal over een generatiekloof in de vroege jaren tachtig, waarin de nummers van Doe Maar een verrassend dramatische functie kregen. Maar de groep zelf kwam er niet in voor.

Want dat kan natuurlijk ook: wel de hits gebruiken, maar het levensverhaal vervangen door een verzonnen intrige met imaginaire personages – het procedé waarvan Mama Mia! (met de Abba-successen) nog steeds het beste en meest lucratieve voorbeeld is. Maar dat zijn dus geen biomusicals.

Raar fenomeen

„Een verzonnen verhaaltje rond de succesnummers van de Zangeres zonder Naam? Nee, dat is geen moment in ons opgekomen”, reageert producent Hans Cornelissen van het theaterbedrijf De Graaf & Cornelissen. „Het ging ons om de Zangeres zelf. Een paar jaar geleden verscheen er een nieuw boek over haar, en in alle kranten stond toen dat er ook een film over haar zou komen. Daardoor dachten wij: natúúrlijk, daar kun je ook een musical van maken! Ik vond haar vroeger een raar fenomeen, een onwerkelijke pop, maar wel intrigerend. Dat boek beschreef wat een opmerkelijk leven die vrouw heeft gehad. Maar onze voorstelling mocht geen handig aan elkaar gekletste potpourri van Zangeres zonder Naam-liedjes worden. En ook geen documentaire, want dan kun je net zo goed het boek lezen. We moesten zoeken naar een boeiende theatervorm. Dat is de verhaallijn met het meisje in die talentenjacht geworden.”

Het script voor De Zangeres zonder Naam werd geschreven door Lars Boom, die al ruimschoots ervaring in dit genre opdeed als scenarist van Oh Johnny en voorstellingen over Wim Kan en Jacques Brel. „Ook mensen die de hoofdpersoon niet kennen, moeten het toch een goed stuk vinden”, luidt zijn stelling. „Anders krijg je alleen maar heimweestukken, dat is niet interessant. Maar ik voel natuurlijk wel een verplichting jegens de waarheid. Wat ik verzin, moet op zijn minst gevoelsmatig kloppen. Het moet waar kunnen zijn.”

Een extra complicatie voor biomusicalmakers vormt de vraag hoe de bestaande hits in zo’n nieuw script een dramatische meerwaarde kunnen krijgen. Maar bij de Zangeres zonder Naam deed dat probleem zich nauwelijks voor, zegt Boom: „Veel nummers kon ik een autobiografische betekenis geven. Ze komt uit een arm gezin, met een vader die dronk. Dus dan dient Ach vaderlief, toe drink niet meer zich onmiddellijk aan.”

De gewenste eenheid tussen de speelscènes en de liedjes kwam ook in het scenario voor Ramses tamelijk soepel tot stand, aldus schrijver Dick van den Heuvel: „Shaffy heeft in zijn liedjes zijn eigen biografie geschreven; ze vertellen één op één over zijn leven.” Maar zo eenvoudig is dat lang niet altijd, voegt hij eraan toe. Eén keer heeft Van den Heuvel zelfs een opdracht moeten teruggeven. Het ging om een musical over Elvis Presley, waarin volgens de producent de hit In the ghetto niet kon ontbreken. Maar de scenarist slaagde er niet in dat nummer een logische plaats te geven in een voorstelling over iemand die nooit van zijn leven in een getto is geweest. Ook de rest van het verplichte Elvis-repertoire was, zegt hij, veel te divers om er een enigszins samenhangend script omheen te kunnen schrijven.

Vergelijkbare problemen deden zich volgens Frank Ketelaar voor bij het schrijven van de aanstaande André Hazes-musical. „Het was heel lastig de liedjes in het script te verwerken”, zegt hij. „Hazes’ liedteksten zijn dramatisch vrij beperkt; ze komen vaak op hetzelfde neer. Het heeft ons heel wat hoofdbrekens gekost om dat kloppend te krijgen.”

Joop van den Ende ondertekende al in het voorjaar van 2007 een musicalcontract met de erven Hazes. Dat de première nu pas in de programmering van het volgende seizoen staat, heeft veel te maken met onenigheid over het script. De schrijfopdracht ging aanvankelijk naar André Breedland die eerder bij Van den Ende eer inlegde als auteur van de oorspronkelijke musicals Ciske en Petticoat. In zijn eerste versie had Breedland zich echter veel grotere vrijheden veroorloofd dan de producent wenselijk achtte, waarna hij Ketelaar en Prins inschakelde voor een script dat veel dichter bij de biografie zou blijven. „Mijn idee was dat de voorstelling wel over Hazes zou gaan”, vertelt Breedland, „maar dat hij niet als persoon op het toneel zou verschijnen. Het leek mij doodeng zo iemand letterlijk tot leven te wekken. Want hoe geloofwaardig kun je dat maken?”

De Zangeres zonder Naam: première 21/11; tournee t/m 3/4. Inl. degraafencornelissen.nl.Ramses: première 1/12; tournee t/m 1/4. Inl. theaterhits.nl