Die euro is helemaal niet essentieel voor onze handel

Wie beweert dat Nederland miljarden verdient aan de euro, begrijpt niet hoe het zit. De buitenlandse handel is van minder belang dan gedacht, betoogt Jaap van Duijn.

Geen dag gaat voorbij of een gezagsdrager beweert dat Nederland miljarden heeft verdiend aan de euro. Wij zouden dus alles moeten doen om de euro te behouden – niet omdat de euro zo goed is voor Griekenland, maar omdat Nederland zo veel aan verdient aan deze munt. Minister De Jager (Financiën, CDA) haalt altijd de werkgelegenheid en de pensioenvoorzieningen erbij. Dit is allemaal te danken aan de euro.

Uit de context van hun opmerkingen blijkt meestal dat deze gezagsdragers niet de euro bedoelen, maar dat ze het hebben over vrijhandel en de gemeenschappelijke markt.

Als klein land met een kleine thuismarkt is Nederland volautomatisch een exportland dat belang heeft bij vrijhandel, zoals ook Zweden, Zwitserland, Singapore en Taiwan dat hebben. Zoals het Centraal Planbureau heeft berekend – maar we ook al hadden kunnen weten – heb je hiervoor geen euro nodig. Nederland was in de Gouden Eeuw al een handelsnatie en is dat altijd gebleven.

De meeste politici en anderen die zich erover uitlaten, overschatten overigens de betekenis van de buitenlandse handel. Vrijwel dagelijks beweert iemand dat Nederland meer dan 70 procent van zijn inkomen verdient aan de uitvoer.

Wie dit stelt, maakt een ernstige denkfout en kent bovendien de feiten niet. De denkfout is dat een omzetgetal (de uitvoer) wordt gerelateerd aan een inkomensgetal (ons bruto binnenlands product). Nederland voerde in 2010 voor 459 miljard euro aan goederen en diensten uit en had een bbp van 588 miljard euro. Het eerste getal is 78 procent van het tweede, maar iets omzetten is wat anders dan iets verdienen. Als een kweker voor een miljoen euro aan tomaten naar Duitsland exporteert, maar de verkoopprijs beneden zijn kostprijs ligt, draagt hij bij aan de uitvoer, maar niet aan het bbp.

Als Nederland meer dan 70 procent van zijn inkomen zou verdienen met de uitvoer, zou in deze redenering het nationaal inkomen van Luxemburg voor meer dan 200 procent door uitvoer worden bepaald. De Luxemburgse consumptie, investeringen en overheidsuitgaven zouden dan negatief bijdragen aan de welvaart. Dit is natuurlijk onzin.

Los van deze denkfout is de bijdrage van de uitvoer veel minder omvangrijk dan de getallen suggereren. Een steeds groter deel van de Nederlandse uitvoer wordt gevormd door de zogenoemde ‘wederuitvoer’. Dit zijn de laptops en de T-shirts die in containerschepen uit Azië komen, worden ingeklaard en vervolgens het land weer verlaten.

Deze wederuitvoer maakt inmiddels 42 procent uit van de totale uitvoer en zelfs meer dan 50 procent van de goederenuitvoer. De verhouding tussen binnenlands geproduceerde uitvoer en het bbp, voor zover het al een nuttige vergelijking zou zijn, schommelt al tientallen jaren tussen de 40 en 45 procent. Noch de Europese Unie, noch de introductie van de euro hebben hieraan iets veranderd. Sterker nog – voordat de Europese Economische Gemeenschap tot stand kwam, in 1956, was Nederland een opener economie dan nu.

Ook de gedachte dat de introductie van de euro tot meer handel met de andere EU-landen heeft geleid, strookt niet met de feiten. De laatste tien jaar is het Europese aandeel in de Nederlandse goederenuitvoer gedaald van 85 naar 80 procent. Gezien de veel hogere economische groei buiten Europa is dit niet verwonderlijk en zelfs wenselijk. De uitvoer naar Griekenland en Portugal krimpt en die naar China is dit jaar toegenomen met een kwart.

Jaap van Duijn is econoom en oud-topman van Robeco.

    • Jaap van Duijn