De Moor kan gaan

Tweewekelijks schrijft Gerrit Komrij over internet in de krant. Meer op nrc.nl/komrij.

Nobele idealen worden graag van stal gehaald als ze iets kunnen opleveren. Naastenliefde, vrije meningsuiting, democratie, ze komen soms mooi van pas. Hoed je als overheden en commerciële instellingen idealistisch worden... als energiemaatschappijen het ineens over schone wind gaan hebben... als een Arabische puinhoop een Arabische lente moet heten...

Copyright, auteursrechten, nog zo’n hoogstaand principe dat het uitstekend doet als rookgordijn. Auteursrechten, dat is niet iets wat mensen erg bezighoudt, net zomin als naastenliefde. Maar een nobel principe blijft het. Wie iets creëert of verzint beschikt over het copyright, zodat hij er geld voor kan vragen en in leven kan blijven om iets nieuws te creëren of te verzinnen.

Het Amerikaanse Congres eist nu de macht op om elke internetsite te blokkeren die verdacht wordt van het schenden van copyright. Mooi zo, denk je, eindelijk verlost van al die plunderaars die goede sier maken met andermans werk. Dat het Congres met die aanpak ook alle zwendelaars treft die commerciële nepmerken verkopen beschouw je als een aardige bijkomstigheid.

Wij, auteurs, mogen dan weinig rechten hebben, we kunnen de zon best in het water zien schijnen. Sukkel, natuurlijk is die Amerikaanse wet niet bedoeld om jouw rechten te beschermen. Die wet is niet eens bedoeld om de grote merkfabrikanten tegen vervalsers te beschermen, al maakten hun rekensommen meer indruk op de overheid.

Ach, die fijne, brave auteursrechten… Wat zijn ze mooi, vooral met veel nullen achter het cijfer. Maar als de Moor zijn plicht heeft gedaan, kan de Moor ophoepelen.

Ik moest denken aan die stomme Nederlandse filmindustrie, die nooit iets anders heeft gedaan dan boeken verfilmen die al beroemd waren. Ze schijnen zich daar nu erg druk te maken over tekenaars die hun filmpjes willen verstrippen. Wat zit daarachter? Het nobele, hoogstaande, magnifieke auteursrecht? Sla me dood als ik dat onterecht betwijfel. Maar het argument ‘copyright’ gebruiken die grote jongens wel.

Kleine zelfstandigen in de kunst kunnen naar hun auteursrecht fluiten. Zeur niet over je rechten, zeggen ze dan, klop maar aan bij de sponsors. Wie wil een dichter sponsoren of literair tijdschrift? Sponsors hebben liever Marco Borsato en André Hazes.

Het Nederlandse bedrijfsleven heeft vanouds minder cultureel besef dan een pot pindakaas. Joop van den Ende is ten einde raad André Hazes, die dood schijnt te zijn, weer overeind gaan zetten in een musical. Want in het bedrijfsleven valt, wat sponsoring van de plaatsbewijzen betreft, nog veel te halen. En daarna voor de twintigste keer naar Marco Borsato. Toch probeert de politiek ons wijs te maken dat het bedrijfsleven voor ons zou kunnen zorgen.

Kunsttijdschriften en literaire tijdschriften moeten maar ‘op internet’, zeggen ze, of op zoek naar sponsors. Literaire tijdschriften op internet, dat lijkt me een vruchtbaar plan. Maar soms denk ik ook: mijn goeie hemel, om wat voor flutbedragjes gaat het hier… Vaak bedraagt zo’n subsidie niet meer dan wat er in één week aan kroketten omgaat in de VVD-fractiekamer.

Auteursrechten is een principe waar je veel over hoort als het uitkomt en komt het even niet uit, dan hoor je er niets meer over. Op internet is het rechtenprobleem even ingewikkeld en even nijpend. Prachtig dus dat het Amerikaanse Congres zich daar eindelijk over buigt. De Stop Online Piracy Act (SOPA), wat een daad van rechtvaardigheid!

Maar alleen een dom kuiken kan blind zijn voor het feit dat de auteursrechten hier van stal zijn gehaald om er een wet doorheen te jagen die de staat machtigt alles te blokkeren wat de staat irritant vindt. Want ‘schenden van copyright’ kan zomaar een citaatje zijn of een goedbedoelde verstripping. De SOPA is een wet tegen de vrijheid van meningsuiting. Zwendel met principes.

    • Gerrit Komrij