Cattelan vermoordt zijn kunst

Maurizio Cattelan stelt zijn provocaties nog één keer tentoon in het Guggenheim in New York. Daarna gaat de kunstenaar met pensioen. Echt?

Maurizio Cattelan poses at an undisclosed location on Feb. 18, 2010. In addition to making art, Cattelan, 51, also collects. Photographer: Pierpaolo Ferrari/Solomon R. Guggenheim Foundation via Bloomberg EDITOR'S NOTE: NO SALES. EDITORIAL USE ONLY. Via Bloomberg

Toen Maurizio Cattelan begon met het inrichten van zijn overweldigende tentoonstelling All in het New Yorkse Guggenheim heeft hij vast wel even gedacht aan het werk dat hij in 2004 in de oude, monumentale eik op het Milaanse Piazza XXIV Maggio installeerde. Drie levensechte poppen waren het, van brave, hedendaagse jongetjes – en alle drie bungelden ze aan een strop. Binnen anderhalve dag wist deze installatie een passant zo woedend te maken dat die in de boom klom en de touwen begon los te snijden. De man verloste twee van de jongens (ze klapten genadeloos op de grond) maar toen viel hij uit de boom en moest met een ambulance naar het ziekenhuis worden vervoerd.

In het Guggenheim gaat Cattelan een spectaculaire stap verder. Voor zijn eerste grote oeuvre-overzicht heeft de Italiaanse kunstenaar (1950), vaak omschreven als de hofnar van de kunstwereld, zijn complete oeuvre van 130 stukken (minus twee werken die niet werden uitgeleend) met stevige, witte nylon touwen opgehangen in het hart van het spiraalvormige Guggenheim. Natuurlijk, op het eerste gezicht lijkt dit de ultieme grap: niet alleen negeert Cattelan de traditionele tentoonstellingsesthetiek (hij laat de wanden en de gangen nadrukkelijk leeg), de geste past ook perfect bij zijn verlangen tot omkeren en provoceren. In 2007, bijvoorbeeld, exposeerde Cattelan al eens drie armen die de Hitlergroet brengen (Ave Maria) en vorig jaar nog zette hij een uit marmer gehouwen opgestoken middelvinger neer voor de Milaanse beurs. Daarbij past de opstelling van All perfect: niks beschaafde expositie, geen brave historische opeenvolging, maar al die klassiekers boven, onder, naast en op elkaar, als worsten bij een slager of prijzen op de kermis. En dat beeld wordt nog navranter als je merkt dat je opvallend veel werken blijkt te herkennen, zodat het toch is of er iets gekoesterds van je wordt afgenomen: de drie Milanese jongetjes bijvoorbeeld, het beeld van een kleine, knielende Hitler (Him, 2001 – die rondzweeft met een touw onder zijn oksels), Felix (2001) het skelet van een kat die door Cattelan is uitvergroot tot formaat Tyrannosaurus Rex, het levensechte wassen beeld van paus Johannes Paulus II die ter aarde is gestort nadat hij door een enorme kei is getroffen (La Nona Ora, 1999) tot de honderden opgezette duiven, die Cattelan in 1997 gebruikte voor zijn installatie Tourists en die nu als vliegende ratten op, naast en in de andere werken zijn neergestreken – All is een grote kakofonie, een orgie van kunst, pesterij en provocatie.

De verwarring die dit alles oproept wordt bovendien nog versterkt doordat Cattelan even voor de opening in het Guggenheim aankondigde dat dit eerste totaaloverzicht meteen zijn laatste zou zijn. ‘Mad Mario’ trekt zich (naar eigen zeggen) terug uit de kunstwereld, hij gaat met pensioen, hij maakt geen nieuw werk meer en laat zich voortaan vertegenwoordigen door wat hij het ‘Cattelan Archive’ noemt – wat weer zo’n typische Cattelan-term is dat vrijwel alle beschouwers deze aankondiging vrijwel meteen als de zoveelste provocatie opvatten. Cattelan, de man die zich bij lezingen regelmatig liet vertegenwoordigen door een dubbelganger, die alles voortdurend omkeert en die al zo veel grappen maakte dat het velen nog steeds moeite kost zijn werk serieus te nemen – die zou nu stoppen? Een serieuze tentoonstelling maken? Naaaah.

Hangen

Maar op dit punt wordt All juist spannend. De grootste kracht van de expositie is nu namelijk dat Cattelan precies de relativering die altijd als een zwerm bijen om hem heen hangt ook weer omdraait – en daarbij ineens een uitstekend inzicht verleent in de drijfveren achter dat narrige masker. En daarbij is dat ‘hangen’ het kernwoord. Op het eerste gezicht lijkt dat een typische Cattelan-dubbelzinnigheid (‘schilderijen hangen, mensen hangen dus waarom zou je kunstwerken van mensen niet hangen?’), maar hoe langer je door de Guggenheim-cirkels dwaalt en om de werken heen draait, hoe beter je ziet dat de nadruk op hangen voor Cattelan iets inhoudelijks toevoegt.

Allereerst besef je, door al deze werken zo zielloos boven en onder elkaar te zien, hoezeer Cattelans oeuvre altijd al doortrokken was van dood, destructie, vernietiging. Dat begint (vaak enigszins verborgen in kranten, foto’s en logo’s) met veel verwijzingen naar de politieke geschiedenis van Italië, variërend van de Rode Brigades tot Mussolini en Berlusconi (die er tamelijk genadig afkomt, vooral, zo vermoed je, omdat Cattelan in de ex-premier een verwante schertsfiguur ziet). Het ongemak gaat al verder in de vele opgezette dieren waarop Cattelan patent heeft. Zo bungelen op All naast de duiven onder andere een paar ezels, twee paarden (waarvan er een houten bord met het Jezus Christus-‘motto’ INRI uit zijn buik heeft steken), een struisvogel (die zijn kop door de vloer heeft geboord), een eekhoorn (die net zelfmoord heeft gepleegd), twee konijnen, een olifant (met een soort boerka over zijn hoofd) en een flinke roedel honden. Die laatste zijn door Cattelan zo opgezet dat ze heel tevreden lijken te liggen slapen – naar eigen zeggen speciaal vervaardigd voor privé-verzamelaars die zo’n dooie hond als gezellig artistiek accessoire onder een bijzettafeltje of naast de open haard kunnen leggen.

Nog confronterender zijn de ‘levensechte’ dode John F. Kennedy die met blote voeten in zijn kist ligt, de jonggestorven, legendarische fotografe Francesca Woodman die met haar gezicht tegen een muur is ‘gekruisigd’ en twee New Yorkse agenten (Frankie & Jamie) die ‘normaal’ met hun hoofd op de galerievloer stonden, maar nu aan hun voeten zijn opgehangen – wat meteen associaties oproept met de marteling van Amerikaanse slaven.

Echt heftig wordt het in een van Cattelans meesterwerken: All uit 2007, dat ongetwijfeld niet voor niets dezelfde titel draagt als de expositie als geheel. All-het-werk bestaat uit negen lijkenzakken, perfect uitgehouwen in prestigieus Carrara-marmer, de steen waaruit normaal bustes en standbeelden van vorsten worden vervaardigd. Die heroïek draait Cattelan genadeloos om: de ‘zakken’ zijn zo uitgevoerd dat je de contouren en het volume van de lijken perfect kunt onderscheiden, maar het marmer houdt de ‘helden’ ook voor eeuwig verborgen. Deze anonieme soldaten worden zogenaamd ‘gevierd, tegelijk blijven ze voor eeuwig anoniem, onzichtbaar, opgesloten – een cynischer, indringender commentaar op de zogenaamde heldenverering en de rol van kunst als monument is nauwelijks te bedenken.

Decoropslag

Toch is deze nadruk op dood en vernietiging niet de belangrijkste geste op All. Doorslaggevend is namelijk dat Cattelan de beelden, door ze op te hangen, nadrukkelijk uit hun context haalt – of beter: hardhandig van hun magie heeft ontdaan. Daarbij is het goed om te beseffen dat Cattelans belangrijkste kracht altijd was, dat hij zijn dieren en poppen altijd perfect, tot in de details exact (door technisch bekwame ‘anderen’) liet uitvoeren. Aan handschrift, imperfectie of andere ‘romantische’ oprispingen deed Cattelan niet. Zijn beelden waren zo levensecht dat ze bijna vanzelfsprekend meekonden in de echte wereld, hoe absurd ze soms ook waren – precies dat realisme, dat gevoel dat zijn beelden echt zouden kunnen zijn, maakte ze in al hun dubbelzinnigheid zo confronterend. Dat effect versterkte Cattelan dan nog eens door de omgeving van de beelden tot in de perfectie te choreograferen – Cattelans werken waren altijd kleine tableaux vivants waarbij je als toeschouwer het gevoel had dat je er zelf zo in zou kunnen stappen.

En precies dat gevoel heeft Cattelan in All opgeheven. Door dat hangen, door zijn eigen beelden te behandelen alsof je stiekem een kijkje neemt in de decoropslag van een theater, demystificeert hij genadeloos zijn eigen werk. Weg is de glans, de verbazing, de prikkeling – alle beelden zijn lijken geworden. Dat maakt All tot een confronterende ervaring: hoe langer je door het Guggenheim cirkelt, hoe melancholieker je wordt, vooral omdat Cattelan iets doet wat zelden een kunstenaar voor hem heeft gedaan: hij doorbreekt welbewust de magie van zijn eigen werk. De knielende Hitler: een pop. Het hangende paard: idem. De suïcidale eekhoorn is in het geweld van beelden en touwen zelfs nauwelijks meer te herkennen. En het rare is: juist door die demystificatie slaat Cattelan je als toeschouwer met een diep gevoel van melancholie, van verlies en met het besef dat je, ondanks alle meligheid, ondanks het feit dat je sommige beelden alleen maar van foto’s kende, aan ze gehecht was geraakt. En het gaat nog een stap verder: juist doordat Cattelan de ban nu doorbreekt, besef je dat het hem altijd ernst was. Blijkbaar is Cattelan echt een klassieke absurdist, die alleen maar bleef grimassen om niet in wanhoop te hoeven wegzinken. Dat is het bijzondere: in het Guggenheim pleegt Cattelan, een van de beroemdste kunstenaars van dit moment, in het openbaar en ritueel zelfmoord. Zo bekeken is All inderdaad een einde. Vast niet van Cattelan als kunstenaar, maar wel van de nar. Als hij ooit terugkeert (wat vast wel gebeurt) is hij een man die vrijwillig zijn masker heeft afgelegd en de werkelijkheid recht in het gezicht moet kijken. Zoiets zie je maar zelden in de kunst. Cruciale expositie.

Maurizio Cattelan: All. T/m 22 jan. Guggenheim New York. Vr. t/m wo. 10-17.45u, za. 10-19.45u. Bij de expositie is een Cattelan-app uitgebracht met alle werken.

    • Hans den Hartog Jager