Bloedtest voor kanker is nog veel te ongevoelig

Bloedtests voor kanker zijn ‘hot’. Ze zouden tumoren moeten opsporen als die nog te genezen zijn. Maar dat lukt alleen als de tests 10.000 keer nauwkeuriger worden.

Een klein klompje kanker dat op een nog verborgen plaats in het lichaam groeit, scheidt toch al afwijkende stoffen af. Dat zijn biomarkers. Ze lekken naar de bloedbaan en kunnen worden opgespoord met een geschikte test.

Dat zou de toekomst van de kankerscreening zijn. Geen borsteltjes meer in de vagina om uitstrijkjes te maken om baarmoederhalskanker te ontdekken, geen platgedrukte borsten in de mammabus. Geen busje poep opsturen voor een test op darmkanker. Geen PSA-bloedtest voor prostaatkanker die meer twijfel dan zekerheid geeft. In plaats daarvan een goede batterij bloedtests die in een buisje bloed op tientallen kankers tegelijk test. En een tumor zo vroeg detecteert dat hij opgespoord en weggeopeeerd of -bestraald kan worden. Vóórdat hij uitzaait, want een kleine kanker heeft nog niet zo’n grote kans dat hij uitzaait. Dat is de optimistische sfeer die rond de ontwikkeling van biomarkers hangt.

Het Amerikaanse National Cancer Institute richtte in 2000 het Early Detection Research Network op, speciaal om die vroege detectie van kanker te verbeteren. Hun database vermeldt inmiddels meer dan 200 biomarkers die in onderzoek zijn.

Twee onderzoekers van Stanford University gooiden gisteren roet in het eten. Zij schrijven: bloedtests moeten nog 10.000 keer nauwkeuriger worden willen ze tumoren detecteren op het moment dat ze nog tamelijk ongevaarlijk zijn. De twee gebruikten nauwkeurige gegevens over de groei van eierstokkanker, over de biomarker CA125 die sporen van die kanker in bloed kan ‘zien’ en verwerkten alles in rekenmodellen. In een gisteren uitgekomen artikel in Science Translation Medicine schrijven ze dat hun resultaten in principe ook voor andere kankers opgaan. Twee commentatoren in hetzelfde tijdschrift – bij wie tussen de regels door duidelijk is dat zij wel geloven in een gouden toekomst voor kankerbiomarkers – voeren wel bezwaren aan, maar schrijven uiteindelijk: „Ondanks de beperkingen van het model komt het overeen met recent onderzoek naar verschillende biomarkers voor eierstokkanker, zoals CA125, die een slechts matige tijdwinst van één jaar laten zien.”

Dat is waar het om draait: de biomarkers zoals ze nu in ontwikkeling zijn brengen een kanker ruim één jaar eerder aan het licht dan de ‘eigenaar’ de tumor zelf ziet, voelt, of er last van krijgt.

Een jaar, dat lijkt heel wat, maar de Stanford-onderzoekers laten zien dat een eierstokkanker ruim 10 tot 12,5 jaar groeit voordat een CA125-test hem in bloed detecteert. Tien jaar, dat is een heel gebruikelijke groeitijd voor een kanker voordat hij vervelend wordt. Maar dan heeft hij al een tijdje een flinke uitzaaikans.

Bovendien, in de grafiek op deze pagina is te zien dat er maar een korte tijdspanne is waarbinnen een snelgroeiende tumor met een biomarker gevonden kan worden, voordat hij toch wel aan het licht zou komen. Het betekent dat ongeveer ieder half jaar een bloedtest nodig is.

De bloedtests zouden tienduizend keer gevoeliger moeten worden, schrijven de Stanford-onderzoekers, zodat ze tumoren detecteren die net exponentieel gaan groeien.

Toch zijn biomarkers niet nutteloos. Er zijn nu al een aantal biomarkers die hun nut hebben voor patiënten. Bij vrouwen die eierstokkanker hebben en daaraan zijn geopereerd, kan het zin hebben om bij nacontroles een CA125-test te doen. Loopt de eerder gemeten waarde op, dan is de kans groot dat de achtergebleven tumor weer groeit. Een CEA-test bij darmkankerpatiënten en een PSA-meting bij mannen met prostaatkanker hebben ook nut. Maar de tijd dat bloedtests ook bruikbaar zijn voor kankerscreening, dus om tumoren op te sporen bij ogenschijnlijk kankervrije mensen, ligt nog ver weg.