Op de generatiegrens

We kwamen op 14 juli 2007 weer bij elkaar om ons voor de vierde keer te laten interviewen door Vrij Nederland. We, dat waren Jan Blokker, Harry Mulisch en ik. De eerste keer was het gebeurd toen we vijftig waren geworden. De laatste keer waren we vrolijke jongens van omstreeks de tachtig. Deze vier interviews zijn dit jaar afgedrukt in het boekje Ik heb nooit iets met leeftijd gehad, uitgegeven door De Bezige Bij. Blokker en Mulisch zijn dood. In zijn column van 10 november brengt J.L. Heldring een van de interviews ter sprake. Ik citeer: „Een van hen zei – ik weet niet meer wie – dat zij tot de laatste generatie hoorden die de oorlog had meegemaakt. Onzin. Er waren toen nog de nodige tachtigers en negentigers.”

Heldring vergist zich. We hebben nooit beweerd dat we op deze manier hoorden tot de laatsten der Mohikanen. Onze generatie onderscheidt zich van de voorgaande doordat de essentiële jaren van onze opvoeding samenvielen met de oorlog. We waren twaalf toen de Duitsers binnenvielen. De eerste bom op Rotterdam is gevallen zo’n tachtig meter ten zuiden van het huis waar mijn vader en moeder en ik in de kelder zaten. Deze vijf jaar werden voltooid met de Hongerwinter. In deze periode hebben we tenslotte de hele georganiseerde maatschappij in elkaar zien zakken. Dat is al een onvergetelijke ervaring.

Na de bevrijding kwam de restauratie. De Doorbraak van de Partij van de Arbeid mislukte. Tegen alle internationale waarschuwingen in begon Nederland de oorlog met Indonesië. Een leger van tegen de 150.000 man is vergeefs naar de andere kant van de wereld gestuurd. Eind 1949 kwam met de soevereiniteitsoverdracht het roemloze einde. Daarna is de natie overgegaan tot de orde van de dag, alsof er niets was gebeurd.

Op 26 februari 1949 verscheen in De Groene Amsterdammer een uitvoerige brief van de reserveofficier Ko Zweeres. Hierin maakte hij melding van Nederlandse oorlogsmisdaden. Het land barstte praktisch uit zijn voegen van verontwaardiging tegen deze ‘landverrader’. In 1969 verscheen dr. J.E. Hueting in Achter het nieuws, de actualiteitenrubriek van de VARA. Hij bevestigde de verhalen over oorlogsmisdaden. Toen kwam er een officieel onderzoek, met als resultaat de Excessennota – weer kabaal en in 1987, toen was uitgelekt dat Lou de Jong in deel twaalf van zijn geschiedenis van het Koninkrijk het woord ‘oorlogsmisdrijven’ had gebruikt, nog een keer.

Feitelijk is de praktische opvoeding van mijn generatie begonnen op 10 mei 1940 en afgerond op 27 december 1949, met de overdracht van de soevereiniteit. Onze generatie was volwassen geworden. Eerst heeft ze zich laten gelden in de literatuur en de schilderkunst. Dat waren de Vijftigers. Een belangrijke roman uit deze periode is Ik heb altijd gelijk (1951) van W.F. Hermans. Voor mij is dit nog altijd een afrekening met de voorgangers, die – dat moet ik er met respect bij vermelden – ook verantwoordelijk zijn voor de wederopbouw en het stichten van de verzorgingsstaat. Nadat we eind jaren vijftig de tragikomedie van Nieuw-Guinea hadden beleefd, heeft de nieuwe generatie geleidelijk de macht overgenomen. Zo gebeurt het altijd. De structuur van de verzuiling verzwakte. De oude vaderlandse preutsheid verdween. De vrouw emancipeerde. Het landsbestuur kreeg een linkse signatuur en presideerde over zijn eigen excessen, bijvoorbeeld de krakersrellen en de stadsoorlog bij het kroningsfeest in 1980.

Ik ga met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis. Achteraf kunnen we zeggen dat in 1989, aan het einde van de Koude Oorlog, een nieuwe generatie is ontstaan. Die is niet opgegroeid in het ideologische rigorisme dat de wedijver tussen de twee machtsblokken begeleidde. Na de welvaart van de jaren negentig – de waan van de Nieuwe Economie, die de eeuwige groei beloofde – barstte de zeepbel van internet. Daarna kwam met de verwoesting van de Twin Towers een einde aan de illusie van de westelijke onkwetsbaarheid en oppermacht. Toen volgden de twee oorlogen die nog steeds niet zijn gewonnen. Sinds een jaar worden we in het Westen dagelijks geconfronteerd met een economische en politieke crisis. Hierop weet niemand een overtuigend antwoord. Dit is de mondiale omgeving van de volgende generatie waaruit straks de nieuwe leiders tevoorschijn zullen komen.

Intussen is ook de politieke meningsvorming drastisch veranderd. Tien jaar geleden hebben we de ‘opstand der burgers’ beleefd, maar hieruit is nog geen geloofwaardige politieke elite tevoorschijn gekomen, tenzij we de leiding van de PVV als zodanig willen zien. ‘Elite’ is intussen een scheldwoord geworden.

Nu vrijwel alle informatie via internet beschikbaar is geworden en het iedereen met een computer vrijstaat de hele wereld zijn menig kenbaar te maken, kan iedereen zich beschouwen als lid van de elite. Het resultaat van deze vooruitgang is een tomeloze verwarring in het Westen, maar intussen blijken de sociale media ook te kunnen leiden tot nieuwe machtsvorming. Dit wordt bewezen door de ‘Arabische Lente’ en misschien ook door de Occupybeweging.

Is dit het begin van een politieke vernieuwing? Spreekt het volk hier op een nieuwe manier, met een nieuwe inhoud? Dat weten we misschien over een paar jaar.

Tot slot iets persoonlijks. Heldring schrijft dat ik in de jaren zestig „koketteerde met de VVD van Harm van Riel en Haya van Someren-Downer”. Ja, ik ben bij beiden op bezoek geweest. Sterker – met Hans Wiegel heb ik toen weleens gegeten en met Joop den Uyl een kop koffie gedronken. „Tja, het is nog een hele klus om een land om te turnen”, zei hij. Wat kunnen we hieruit afleiden?

    • H.J.A. Hofland