Lied voor Arie

Elke geslaagde begrafenis- of crematieplechtigheid heeft een magisch moment – zo’n schrijnend moment waarop de overledene opeens weer in levenden lijve voor je lijkt te staan, alsof hij zich nog één keer wil laten zien voor hij voorgoed in de onbegrijpelijkheid verdwijnt.

Bij de crematie van de 77-jarige Arie Kuiper, oud-hoofdredacteur van De Tijd, gisteren in het crematorium De Nieuwe Ooster in Amsterdam, ontstond voor mij zo’n moment toen zijn zoon Paulus en zijn dochter Hella tegen het einde van de dienst naast de kist van hun vader gingen staan. Paulus, een lange, forse, witte man, lijkt sterk op zijn vader – een Noord-Hollands uiterlijk noem ik dat altijd, hoewel het ook wel in andere delen van Nederland wordt aangetroffen, zij het zelden in Limburg.

Paulus slaakte een diepe zucht en we dachten allemaal dat hij aan een toespraak zou beginnen, maar in plaats daarvan begon hij te zingen, a capella en met kopstem, gevaarlijk hoog dus. Ik herkende het lied meteen, al duurde het wel even voor ik op de titel kwam: After the Goldrush van Neil Young. Het dateert van zijn derde gelijknamige elpee uit 1970 – de beste artistieke periode van Young.

Dat Paulus Kuiper het, net als Young destijds, met kopstem zong, maakte het tot een nóg riskantere onderneming, want ook op rouwplechtigheden horen we liever geen valse zangers. De song heeft een sterke, melancholieke melodie en bestaat uit drie strofen met een nogal raadselachtige tekst.

Neil Young heeft zelf altijd vaag gedaan over de betekenis; je zou het kunnen interpreteren als een lied over een soldaat die in een kelder bijkomt van een nucleaire aanval („I was lying in a burned out basement/ With the full moon in my eyes’’) en die vervolgens droomt van ruimtevaartschepen die een groep uitverkorenen naar een nieuwe planeet vliegen.

De laatste strofe gaat zo: „Well, I dreamed I saw the silver/ Space ships flying/ In the yellow haze of the sun/ There were children crying/ And colors flying/ All around the chosen ones./ All in a dream, all in a dream/ The loading had begun/ They were flying Mother Nature’s/ Silver seed to a new home in the sun./ Flying Mother’s Nature’s/ Silver seed to a new home.”

Wat Paulus Kuiper deed was moeilijker dan wat Neil Young deed in die platenstudio, veertig jaar geleden. Young kon nog leunen op de begeleiding van een piano en een hoorn, Paulus had alleen zijn stembanden en bovendien moest hij zijn emoties in bedwang houden. Elke keer dat hij aan een nieuwe strofe begon, was je even bang dat hij het niet zou halen, maar goddank bleef hij de rust zelve. Terwijl hij met één hand zacht over de kist streek, zong hij zich naar het einde.

Het was in zekere zin spijtig dat zijn vader dit niet meer mocht meemaken – ik denk dat hij er, net als wij, met een dichtgeknepen keel van genoten zou hebben. Dat ik zijn vader juist tijdens dit lied voor me zag oprijzen, kwam ook door de tekst van Young die een mystieke lading heeft.

Arie, kind uit een katholiek gezin van dertien kinderen, heeft vele jaren geworsteld met het geloof. Hij omschreef zichzelf als ‘een twijfelende gelovige of liever nog een twijfelende agnost’. „Arie’s belangrijkste levensvraag was: hoe laat het bestaan van een god zich rijmen met Auschwitz?’’, vatte zijn vriend Tony van der Meulen het in zijn toespraak samen.

Op zijn sterfbed bad Arie met zijn naasten het Onze Vader. Hij bleef hopen op ‘a new home in the sun’.