Huid van roestvrij staal

La piel que habito. Regie: PedroAlmodóvar. Met: Antonio Banderas, Elena Anaya In: 27 bioscopen. ***

De vorm en de inhoud zijn in La piel que habito (‘De huid waarin ik leef’) van Pedro Almodóvar iets te goed op elkaar afgestemd. De film gaat over de krankzinnige wetenschapper Robert Ledgard, gespeeld door Antonio Banderas, die voor het eerst in vele jaren weer met zijn ontdekker Almodóvar is herenigd. De plastisch chirurg heeft het in zijn hoofd gehaald een menselijke huid te ontwikkelen die niet alleen ongevoelig is voor insectenbeten, maar die ook brandveilig is, nadat hij zijn echtgenote bij een gruwelijk auto-ongeluk heeft verloren. Zoals die huid is, is ook de film: veerkrachtig, schokbestendig, technisch gezien een hoogstandje, maar ook nogal synthetisch en koud.

Almodóvar haalt een lange lijst van filmklassiekers in verband met zijn film: het beroemde Les yeux sans visage (1960) van Georges Franju, waarmee La piel que habito even nauw verbonden is als Todo sobre mi madre met All About Eve, maar ook Hitchcocks Vertigo. Maar die films zijn mysterieus en ondefinieerbaar, en juist dat ontbreekt bij Almodóvar. De obsessie wordt weliswaar met het scalpel ontleed, maar niet invoelbaar gemaakt. Zijn dwanggedachten zijn voor het personage zelf, en dus ook voor de kijker, te weinig een beest dat hij zelf niet begrijpt, en waar hij geen controle over heeft.

Maar met die beperkingen is er nog genoeg om met bewondering naar te kijken in La piel que habito. De niet-chronologische structuur is moeizaam, waardoor het lang duurt voordat het verhaal vat krijgt op de kijker. Vera (Elena Anaya) is het onfortuinlijke proefkonijn dat tegen haar wil wordt vastgehouden in het geïsoleerde landhuis van de dokter, in de buurt van Toledo. Als de film begint is haar nieuwe huid bijna voltooid. Zijn huishoudster zit ook in het complot. Als diens zoon, een voortvluchtige crimineel – gehuld in een tijgerpak, want het is carnaval – plotseling voor de deur staat en het huis binnendringt, stort de bizarre, klinische laboratoriumwereld in elkaar.

Tot dan toe is de film vooral vergezocht. Dat verandert als in lange flashbacks duidelijk wordt wie de onfortuinlijke Vera is. De krankzinnige chirurg blijft een levenloze en karakterloze figuur, maar het slachtoffer krijgt steeds meer contouren en geeft de film een hart. Dat is precies in de lijn van films als Frankenstein waar Almodóvar bij aanhaakt, en waarin het monster altijd het enige echt menselijke personage blijkt te zijn.

La piel que habito is een strenge, sombere film. Van de norm afwijkende seksualiteit is hier geen carnavaleske bevrijding, die staat tegenover het rigide regime van autoritaire gezagsdragers, zoals in het verleden bij Almodóvar nog weleens het geval was, maar is zelf onderdeel van duistere, manipulatieve honger naar macht en wraak. De aanraking door een kunsthuid blijft koud, emotieloos. Als tegenpool voor de hang naar perfectie van dokter Robert, laat Almodóvar Vera tijdens haar gevangenschap zelf poppen maken van oude lappen stof, die duidelijk zijn geïnspireerd door sculpturen van Louise Bourgeois – bijna vormeloze figuren. Maar die anti-klinische poppen zijn dan weer zo weldoordacht in de film gebracht, dat het ook weer iets klinisch krijgt.

Peter de Bruijn