Ho even!

Nog nooit ging het zo goed met Nederland, meldt het Sociaal en Cultureel Planbureau vandaag.

Maar één ding is duidelijk: beter dan dit wordt het niet. Nederland heeft vooral veel te verliezen.

Crisis, crisis, crisis. Dit refrein wordt nu overal gezongen. De euro zinkt, banken wankelen, politici aarzelen. Maar sla de vandaag verschenen Sociale Staat van Nederland 2011 open en je waant je in een andere wereld.

Volgens dit rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) gaat het beter dan ooit met Nederland. En niet alleen dankzij de lage rente op staatsobligaties. De vergrijzing valt reuze mee, er is groot vertrouwen in de politiek, vrijwel zeker daalt de criminaliteit en misschien wel het belangrijkste: arme Nederlanders zijn er per saldo veel meer op vooruitgegaan dan rijke. Vooral doordat hun woningen sterk verbeterd zijn, ze veel meer consumptiegoederen bezitten en veel vaker op vakantie gaan.

In tien jaar tijd is het netto inkomen van de armste Nederlanders weliswaar niet sterker gegroeid dan dat van de rijkste (3 procent tegen 6 procent). Ouderen (alleenstaanden en paren) en tweeverdieners met kinderen gingen er het meest op vooruit (respectievelijk 10, 16 en 8 procent). Maar toch: nog altijd leven Nederlanders in een redelijk egalitaire samenleving. Het rijkste kwart van de bevolking verdient ongeveer 3,5 keer zoveel als het armste kwart. De rijkste 10 procent incasseert 22,1 procent van het totale inkomen in Nederland. Net iets minder dan in 2001 en anderhalf procentpunt minder dan in 2007. En driekwart van de Nederlanders vindt die relatief grote gelijkheid een goede zaak.

Wie had dat gedacht?

Het Sociaal en Cultureel Planbureau is het sociaal-wetenschappelijke onderzoeksbureau van de overheid, en zijn tweejaarlijkse rapport is niet zo maar een mening. Hierin wordt veel wetenschappelijk onderzoek samengevoegd, van het SCP zelf, van het CBS en ook ander sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Voor wie dit soort onderzoek volgt, is de jubelstemming geen grote verrassing. Want ook de vorige Sociale Staat-rapporten waren positief, vooral sinds 2007, toen de economie weer aantrok.

Uit deze rapporten bleek keer op keer de paradox dat het volgens de Nederlandse burger héél goed gaat met hemzelf en de zijnen, maar dat het slecht gaat met de maatschappij. ‘Met mij gaat het prima, maar verder is het allemaal niks’. Dat gevoel bestaat nog steeds. Tachtig procent van de bevolking is niet bezorgd over de eigen financiële toekomst. Maar bijna tweederde van de burgers is somber gestemd over ‘waar het met Nederland naar toe gaat’. Slechts een kwart is daar optimistisch over. „De Nederlander mag graag klagen en is misschien zelfs enigszins ‘realiteitsresistent’: het doet er niet toe hoe het echt gaat, het gaat gewoon nooit goed”, verzuchten de SCP-onderzoekers aan het eind van het rapport.

Die somberheid is onterecht als je kijkt naar huisvesting, gezondheid, sociale participatie, vrijetijdsbesteding, mobiliteit en bezit van consumptiegoederen waaraan het SCP een groot deel van de sociale toestand in Nederland afmeet. Want, zo schrijft het SCP: „Ondanks de schommelingen in de economie is de leefsituatie de afgelopen tien jaar onafgebroken verbeterd. Mensen met een laag inkomen, niet-westerse migranten en ouderen boven de 65 jaar zijn er meer dan gemiddeld op vooruitgegaan in hun kwaliteit van leven.”

Op Luxemburg na is Nederland nu het rijkste land van Europa – en Luxemburg telt niet echt mee, want de rijken daar zijn vrijwel allemaal buitenlanders. Ook scoort Nederland het laagst op de economische misère-index van het SCP: een combinatie van werkloosheid, inflatie en begrotingstekort. En dat in een tijd dat overal ter wereld de pleinen worden bezet omdat de rijken rijker worden en de armen armer.

Waarom dan al dat gemopper? „Misschien onze calvinistische volksaard”, oppert socioloog Rob Bijl, adjunct-directeur van het SCP en samensteller van het rapport. „Misschien is er ook iets anders aan de hand. Lager opgeleiden zijn veel somberder dan hoger opgeleiden. Zij hebben ook veel minder grip op hun leefomstandigheden. Sinds 2002, met Pim Fortuyn, wordt hun stem wel beter gehoord in de samenleving, ook al wordt die groep op zich niet beter bediend. Misschien dat dit het verschil maakt.”

Hoe dan ook, Nederland heeft het nooit beter gehad dan nu. En waarschijnlijk zullen we het ook niet snel beter krijgen. „Dat is allebei wel een beetje waar ja”, zegt Bijl. „Vergeleken met andere landen is het hier echt een paradijs.” Maar met de eurocrisis zijn er echt grote veranderingen te verwachten. Bijl: „Financieel kunnen we wel wat hebben. De meeste mensen kunnen wel zonder grote problemen 5 procent in inkomen achteruit gaan. De afgelopen tien jaar zijn we in totaal gemiddeld 6 procent in inkomen gestegen. Maar hoe lang zal die achteruitgang gaan duren? Ik ben vooral bang dat in een lange en diepe crisis het sociale vertrouwen minder wordt. Dit is geen gewone Nederlandse crisis die op ons af komt. Nu zijn we nog een high trust society: een samenleving waar groot onderling vertrouwen heerst. Dat kan minder worden. Er komen grote bezuinigingen aan. Het is niet aan mij om te bepalen of die terecht of onterecht zijn, maar ik ben wel eens bang dat de politiek te weinig nadenkt over de sociale gevolgen ervan. Misschien gaan we meer op Oost-Europa lijken, waar politici enorm worden gewantrouwd.”

Nederland heeft veel te verliezen, dat is duidelijk.

Het SCP ziet ook een paar negatieve punten in dit paradijs aan de Noordzee. Ten eerste: het onderwijs is te vrijblijvend. Tweederde van de basisscholen en viervijfde van de middelbare scholen zijn ‘te weinig opbrengstgericht’ en daardoor zijn de prestaties in taal en rekenen te matig. En de opvang van zorgleerlingen schiet tekort, de helft van de leraren is er niet goed voor opgeleid.

Bovendien zijn de eerste scheurtjes in de economische welvaart te zien. Tussen 2008 en 2010 is de werkgelegenheid met 100.000 banen afgenomen, ook de beroepsbevolking nam af, vooral omdat jongeren langer op school bleven. De werkloosheid is nog steeds de laagste van Europa, maar neemt wel toe, vorig jaar van 4 naar 5 procent. De koopkracht daalt en zal de komende jaren nog verder dalen. De belangrijkste kloof in Nederland lijkt te bestaan tussen laagopgeleiden (met maximaal een vmbo-opleiding, ca. 30 procent van de bevolking) en hoogopgeleiden (minimaal hbo, ook ca. 30 procent). „Vooral in levensverwachting en gezondheid”, zegt Bijl. „Laagopgeleiden sterven zeven jaar eerder. Dat is toch wel erg fors.”

De sociale staat van Nederland 2011 is te downloaden op www.scp.nl