De ‘liedekens’ van W.F. Hermans

Willem Frederik Hermans schreef in een tijdsbestek van 10 jaar, tussen 1938 en 1948, een behoorlijk aantal gedichten. Ze zijn opgenomen in het negende deel van Hermans’ verzamelde werken. Hermans is zich later voor die gedichten gaan schamen. Is dat terecht?

Volgens Willem Frederik Hermans (1921-1995) is er aan hem geen groot dichter verloren gegaan. Hij begon met het schrijven van gedichten in 1938, en hij hield er rond 1948 ook al weer mee op. Daarna volgden er nog wat nadruppelingen, tot 1954. Het leverde een dichterlijk oeuvre op van zo’n 135 gedichten. Al heel gauw begon hij zich daarvoor te schamen. In 1953 schreef hij aan Ad den Besten dat hij de titel van zijn eerste bundel niet meer durfde te noemen: ‘een titel zo afschuwelijk dat ik het hier niet zal overschrijven.’ Het ging om Kussen door een rag van woorden, uit 1944. De gedichten daaruit noemde hij smalend ‘liedekens’.

Ook de meeste verzen uit zijn tweede bundel, Horror Coeli, waren toen voor hem al ‘absoluut taboe en mogen nooit worden herdrukt’. Nog weer later, in de jaren zestig, toen het ging over een eventuele uitgave van zijn verzamelde gedichten, was hij nog niet van gedachten veranderd. Hij kon zijn gedichten ‘niet meer pruimen’. En als hij ze nu eens ging verbeteren, voor zover mogelijk, en de andere weglaten? ‘Er blijven er dan misschien twee of drie over.’ En hoeveel exemplaren zouden er dan van gedrukt moeten worden? ‘Een oplage van 25 stuks zou wel het maximum wezen.’ Het is altijd leuk om een dichter zichzelf te zien afbranden – en dan in één moeite door ook maar meteen alle (Nederlandse) poëzie. Hermans, in 1982: ‘Ik ben overigens van mening dat het verzen schrijven maar helemaal moet worden afgeschaft. Een mensenleeftijd is niet voldoende om alle goede verzen die [buiten Nederland] geschreven zijn, te lezen.’

Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad op Vrijdag 11 november 2011, pagina 10 - 11. Het hele artikel is hier te lezen.