Wisselende waardering voor bewaker van dijken en water

Het waterschap kan weg, zegt een Kamermeerderheid: ondoorzichtig en kostbaar. De waterschappen wijzen op groeiende efficiency.

Het is weer zo ver: de waterschappen moeten worden opgeheven. Ze zijn duur en ze maken het landsbestuur onnodig ingewikkeld. Zeggen Kamerleden.

Gerard Schouw, Tweede Kamerlid voor D66, spreekt van „een onnodige bestuurslaag”. Hij vroeg het kabinet gisteren om concrete plannen voor opheffing. Zijn motie kan vermoedelijk rekenen op een meerderheid in de Tweede Kamer. Kamerlid Brinkman (PVV): „Opheffen is goed. Iedereen weet dat de euro’s bij de waterschappen over de dijk klotsen.”

VVD en CDA spraken in hun regeerakkoord af dat de waterschappen mogen blijven bestaan, maar dat gemeenteraden voortaan de bestuurders moeten kiezen. Vrijwel geen burger komt nu immers op de waterschapsverkiezingen af.

„Ik zou ook wel willen dat de opkomst hoger was”, zegt Peter Glas, voorzitter van de Unie van Waterschappen. „En ik zou ook wel willen dat zestien miljoen Nederlanders beseffen hoe belangrijk het is dat wij het land droog en veilig houden, en zorgen dat het water schoon is. Maar dat is niet zo. Anderzijds kun je ook redeneren dat de mensen kennelijk tevreden over ons zijn.”

Het afgelopen decennium is voortdurend getwijfeld aan nut en noodzaak van het waterschap. Eerst verklaarden vooral linkse politieke partijen het schap overbodig. Daarna wilden de provincies de waterschappen inlijven. Dat zou 300 tot 400 miljoen euro schelen aan bestuurskosten en op termijn zou je zelfs 700 miljoen euro per jaar kunnen besparen door efficiënter te werken.

Het landjepik ging niet door. De waterschappen kondigden aan dat ze nóg verder zouden fuseren. En voor zover er te bezuinigen valt, hebben ze daartoe zelf plannen. Over negen jaar moet die bezuiniging jaarlijks 750 miljoen euro opleveren. Verder gaan de waterschappen het Rijk financieel steunen bij de aanleg van belangrijke waterkeringen en nemen ze provincietaken over als muskusratbestrijding en natuuronderhoud.

Maar nu laait het debat over opheffing toch weer op. De waterschappen vinden het onbegrijpelijk. „Er zijn ooit verkeerde cijfers door de provincies genoemd”, zegt waterschapper Glas. „Dat kliekje wordt nu opgewarmd.”

De provincies staan evenmin te juichen. Ze krijgen een cadeau dat ze niet meer naar hoeven. „Ons standpunt is achterhaald”, zegt een woordvoerder van het Interprovinciaal Overleg. Er zijn vorig jaar goede afspraken gemaakt in het bestuursakkoord, over de verdeling van geld en taken tussen Rijk en lagere overheden. „Daar stemden we van harte mee in.”

Niettemin lijkt het D66 een „goed moment” juist nu opheffing van de waterschappen te vragen. Schouw acht zich niet gebonden aan het bestuursakkoord. „Daar staan wij als Kamer helemaal buiten.” En de PVV acht zich niet gebonden aan coalitieafspraken, wat dit onderwerp betreft. Hero Brinkman: „Het opheffen van de waterschappen stond in ons verkiezingsprogramma. En in het gedoogakkoord staat er niets over. Wij hebben onze handen vrij.”

Een van de meest gehoorde argumenten om de waterschappen níét op te heffen, is dat de kosten van water de komende decennia flink stijgen. Waterschappen kunnen belasting heffen voor wat volgens hen noodzakelijk is om de veiligheid te waarborgen. Zo blijft de bescherming van Nederland tegen overstromingen buiten politieke discussies, en dat is maar goed ook, oordeelden deskundigen. Anders worden de kosten van een nieuwe dijk afgewogen tegen bijvoorbeeld een nieuw verpleeghuis. Zo’n afweging vinden ze niet verantwoord.

D66-Kamerlid Schouw: „Dat heb ik altijd een heel slechte redenering gevonden. Die getuigt van een onderschatting van de politiek. Alsof wij politici niet zouden begrijpen dat water heel belangrijk is.”