We zijn onze identiteit kwijtgeraakt

Otmar Watson (Suriname, 1971) woont sinds 1975 in Nederland. Na een hbo-opleiding communicatie volgt hij nu de docentenopleiding maatschappijleer. Hij was ook jongerenwerker.

‘In 1975 kwamen we door het spreidingsbeleid van de Nederlandse overheid in Haaksbergen, Overijssel terecht. We waren een van de twee zwarte gezinnen in de buurt. Ach, je kreeg wel eens te horen ‘je bent met je hoofd in de chocolade gevallen’, en meer van dat soort opmerkingen, maar ik had er niet echt last van. Mensen gaven wel echt om je, de buren deden alles voor ons. Ik heb er gewoon een leuke tijd gehad.

Toen ik dertien was zijn we naar Amsterdam-Zuidoost verhuisd, voor een jaar. Daarna volgde Lelystad. Daar ben ik verder opgegroeid. Ik heb er gewoond tot mijn drieëntwintigste en ben toen teruggekeerd naar de Bijlmer. Dat vond ik leuk. Je zag opeens heel veel Surinamers. Je kunt hier gewoon helemaal jezelf zijn en bij de Albert Heijn vind je gewoon de producten die je eet. Ik voel me in mijn element in Zuidoost.

Ik ben een product van de slavernij: ik heb een Europese achternaam, woon in Nederland en spreek beter Nederlands dan Surinaams, allemaal feiten die samenhangen met de slavernij. Ik ben een kind uit de slavernij, ik kom voort uit de slavernij. De oma van mijn moeder leefde nog in slavernij. Mijn voorouders waren slavengemaakten. Ik maak een verschil tussen slaaf en slaafgemaakte. We waren nooit slaaf, we zijn slaaf gemaakt.

Overal in Suriname tref je nog de sporen van de slavernij aan. De plantages liggen er nog. Je zou er zo een film kunnen maken waar je geen decors voor hoeft te gebruiken. Maar ook in Nederland ontbreken de sporen niet. Nederland is opgebouwd uit winsten van de slavernij. Als je alleen maar kijkt naar de stad Amsterdam, al die grachtenpanden, al die pakhuizen, het zijn allemaal voorbeelden van de rijkdom die uit de slavernij werd gehaald. Ook de V&D, de Bijenkorf en de ABN Amro zijn er voorbeelden van. De oprichters hiervan zijn allemaal rijk geworden als slavenhandelaren.

Wij zijn onze identiteit kwijt geraakt. Afro-Surinaamse en Afro-Antilliaanse jongeren interesseren zich amper voor hun afkomst. Ze hebben van hun ouders geleerd dat ze geen Afrikanen zijn, maar negers. Het woord neger stamt uit de tijd van de slavernij, een negatief woord, ingevoerd om er voor te zorgen dat we ons niet kunnen identificeren met Afrika. Dat was een van de strategieën, de slaven afsnijden van alles wat met Afrika te maken heeft, zodat we niet in opstand zouden komen. Als je tegen een Surinaamse of Antilliaanse jongen of meisje zegt ‘jij bent toch Afrikaans’, dan gaan ze ontkennen, boos worden of lachen. Ze begrijpen niet dat hun afkomst in Afrika ligt.

Je ziet dat minderwaardigheidsgevoel ook als je kijkt naar het ideaalbeeld van de vrouw. Dat is een witte vrouw met lang haar. Heel vaak zie je dat zwarte vrouwen hun haar proberen te ontkroezen. Ze gebruiken chemisch materiaal om hun haar steil te krijgen, om te voldoen aan het ideaalbeeld dat hun altijd is voorgehouden. Het is een voorbeeld van alledaags racisme. Het Sinterklaasfeest behoort daar ook toe. De zwarte man is dom en de knecht, de witte man is heilig, en doet alles goed. Het Sinterklaasfeest zelf hoeft niet afgeschaft te worden, maar het racistische element moet eruit gehaald worden.

Als je het slavernijverleden kent, dan weet je ook waarom wij hier zijn. Als ze me vragen, geef ik ook buiten de Afro-Surinaamse en Afro-Antilliaanse gemeenschap voorlichting over de slavernij en de gevolgen daarvan. Maar mijn ultieme doel is dat zwarte jongeren met een Afrikaanse achtergrond weten wie ze zijn. En dat ze van daaruit gaan participeren in de Nederlandse samenleving. Ik heb een goed leven, ik mag niet klagen. Ik heb bijna twee HBO-studies achter de rug, een gezin, een koophuis en ik reis als ik wil. Ik heb het dus gemaakt, kun je zeggen. Maar ik weet ook dat veel jongeren dat alles niet hebben. En ik wil dat zij ook iets kunnen bereiken, dat ze dezelfde weg kunnen bewandelen als ik heb gedaan.”

Fragment uit: ‘Meerstemmig verleden’. Interview: Korine Geerdink enRoderick Tingen