Soedan heeft te weinig geld voor een echte oorlog

In verschillende regio’s van Soedan en de nieuwe staat Zuid-Soedan zijn gevechten gaande. Een regelrechte oorlog tussen de twee landen is echter onwaarschijnlijk. Ze hebben geen geld.

Soedan en Zuid-Soedan slaan op de oorlogstrom. Het is echter onwaarschijnlijk dat er binnenkort op grote schaal gevechten uitbreken tussen beide landen.

Soedan bombardeerde vorige week een vluchtelingenkamp en een nabijgelegen militair kamp in het vier maanden geleden onafhankelijk geworden Zuid-Soedan. De Soedanese regering van president Omar al-Bashir klaagde bij de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties dat Zuid-Soedan opstandelingen helpt in Kordofan en Blue Nile, twee regio’s aan de grens met Zuid-Soedan.

Bashir beschikt over een beter leger dan de Zuid-Soedanese president Salva Kiir. Maar hij heeft na het verlies van zijn olievelden aan Zuid-Soedan niet meer voldoende inkomsten om op verscheidene fronten oorlog te voeren. Door het sterk teruglopen van de oliegelden is er in Soedan een ernstige economische crisis uitgebroken. De vorming van een nieuw Revolutionair Front door vier gewapende verzetsgroepen kan ook een bedreiging voor Bashir worden. Voor het chronisch onderontwikkelde Zuid-Soedan zou een nieuwe oorlog eveneens ondraaglijk zijn.

Rond Zuid-Soedans onafhankelijkheid op 9 juli sloot Bashir een verbond met rechts-radicale generaals in het regeringsleger. Zij voelen zich vernederd door het verlies van Zuid-Soedan en de olievelden. Een diplomaat in de hoofdstad Khartoum noemt de politieke verschuivingen een „rechtse militaire coup”.

Deze nieuwe groep machthebbers werpt zich op als nationalistisch en wil geen compromis meer sluiten met opstandelingen.

De onafhankelijkheid van Zuid-Soedan werd het startsein voor twee nieuwe oorlogen in het noorden, in Kordofan en Blue Nile. Bashirs leger begon de strijd in de verwachting dat de oorlogen kort zouden duren.

In de Nubabergen van Kordofan boekten de rebellen van het Soedanese Volksbevrijdingsleger afdeling Noord (SPLA/N) onder leiding van Abdel Aziz el-Hilu echter grote zeges en ze staan op het punt een nieuw offensief te beginnen. In Blue Nile doen de opstandelingen het minder goed. Malik Agar, de leider van SPLA/N in Blue Nile, had zich niet goed voorbereid op de oorlog en door strategische fouten verloor hij onlangs zijn bolwerk Kurmuk aan het regeringsleger van Bashir.

Tegelijkertijd braken er gevechten uit in de regio Upper Nile in Zuid-Soedan, waar zich de meeste olievelden van het zuiden bevinden. Bashirs leger helpt er vermoedelijk het Zuid-Soedanese Bevrijdingsleger (SSLA), een strijdgroep tegen Kiir, met wapens. Het SSLA legt landmijnen bij kantoren van de VN en komt gevaarlijk dicht in de buurt van de olievelden. Toen vervolgens eerder deze maand het Soedanese regeringsleger bombardementen uitvoerde op het vluchtelingenkamp bij Yida in Zuid-Soedan en een legerkamp bij Kuek, gingen overal in de regio en in de VS en de VN rode lampen branden.

Soedan en Zuid-Soedan zeggen te worden ondermijnd door de ander. Kiir noemde de aanval eind vorige week „een provocatie” door het noorden. Bashir zei op zijn beurt: „Ons geduld raakt op door de voordurende provocaties” van het zuiden. Volgens Bashir helpt Zuid-Soedan de rebellen in Blue Nile en Kordofan. Kirr noemde de beschuldiging „volslagen ongegrond”.

De rebellen van Kordofan en Blue Nile ontvangen hun salaris en andere materiële steun uit de Zuid-Soedanese hoofdstad Juba. Er zijn onbevestigde berichten over troepenversterkingen lang de grens.

Door de oplopende spanningen wordt het nog ingewikkelder problemen op te lossen rond de scheiding van de inboedel tussen noord en zuid. Er bestaat onenigheid over de grenzen, afbetaling van de nationale schuldenlast van 38 miljard dollar en vooral over olie.

De meeste olievelden liggen in Zuid-Soedan maar de export gaat door een pijpleiding naar Port Sudan in het noorden. Toen Soedan een ongewoon hoge prijs van ruim 30 dollar per vat eiste voor gebruik van de pijpleiding, sloot Zuid-Soedan een akkoord met Chinese, Indiase en Maleisische maatschappijen om de olie aan de pomp in het zuiden te kopen. De bedrijven moeten sindsdien zelf een akkoord sluiten met de regering van Bashir over de transportkosten.

Dat bleek een meesterzet van Zuid-Soedan. Het legt zijn onenigheid met Bashir op het bordje van China, dat het overgrote deel opkoopt van de Soedanese olie. China was altijd Bashirs trouwe bondgenoot. Nu het overgrote deel van de olie in de nieuwe staat Zuid-Soedan ligt, zou het wel eens pragmatischer koers kunnen inslaan. Want China is gebaat bij goede relaties met beide staten om de olie te kunnen laten vloeien.