'Oude Pekela'-affaire was een mediahype

Journaliste Margalith Kleijwegt gelooft nog altijd in seksueel misbruik in Oude Pekela, getuige haar nieuwe boek. Ze is erin getrapt, stelt Peter Vasterman vast.

Van Vrij Nederland-journaliste Margalith Kleijwegt verscheen vorige week het boekje Terug naar Oude Pekela. Naar aanleiding van de Amsterdamse zedenzaak besloot ze opnieuw onderzoek te doen in het dorp waar ze bijna 25 jaar geleden verslag deed van de Oude Pekela-affaire. Hierbij zouden tientallen kinderen zijn misbruikt door als clowns verklede kinderlokkers.

In diverse interviews vertelde Kleijwegt vorige week wat ze dacht toen ze eind vorig jaar de beelden op televisie zag van de zaak-Robert M. „Zie je wel, het kan wél.” Grootschalig misbruik bestaat dus, maar „de ouders van Oude Pekela werden in die tijd meteen voor hysterische idioten uitgemaakt”. Hoewel ze niet met nieuw bewijsmateriaal komt, is ze nog steeds ervan overtuigd dat in Oude Pekela wel degelijk op grote schaal seksueel misbruik heeft plaatsgevonden, alleen dan „niet met tachtig kinderen, misschien met twintig, al heeft de Amsterdamse zedenzaak duidelijk gemaakt dat alles kan”.

De zaak-Robert M. bewijst inderdaad dat het kan. Dit zegt natuurlijk helemaal niets over Oude Pekela in 1987. Het grote verschil is natuurlijk dat in Oude Pekela geen spoor van bewijs is gevonden voor enige vorm van seksueel misbruik door onbekende daders, ondanks langdurig rechercheonderzoek en honderden getuigenverhoren. Vast staat dat het klein begon, met één onbewezen melding van ontucht. Het misbruik nam vervolgens mythische proporties aan, met bijna honderd slachtoffertjes. Zij zouden zijn ontvoerd door de beruchte clowns, die kinderen zouden misbruiken voor de porno-industrie. De verhalen werden steeds extremer. Op het laatst was er zelfs sprake van satanische rituelen.

Door het recherchewerk, de informatiebijeenkomsten, het onderzoek – op eigen houtje – van het artsenechtpaar Jonker, de opgewonden verhalen in de media en de bezorgde ouders die hun kinderen ondervroegen, zongen steeds gruwelijker verhalen rond. Steeds meer kinderen raakten ervan overtuigd dat ‘ze ook mee waren geweest’, zoals dat werd genoemd. Deze verhalen waren zo hardnekkig dat zelfs psychiater Gerrit Mik, die tientallen kinderen uitgebreid ondervroeg, erin geloofde.

Ook Margalith Kleijwegt behoorde tot de gelovigen, getuige de uitgebreide reportage van 13 februari 1988 in Vrij Nederland, onder de kop ‘Het verhaal van Oude Pekela is internationaal. Zodra de ontkenningsmolen gaat draaien, zijn kinderen de dupe’. In dit stuk wordt Oude Pekela in verband gebracht met Amerikaanse voorbeelden van ritueel misbruik in kinderdagverblijven. „Dat de kinderen de meest merkwaardige spelletjes hebben moeten spelen, daar is iedereen het wel over eens.”

Kleijwegt is nog steeds een gelovige. Ze misbruikt de zaak-Robert M. om alsnog erkenning te krijgen voor ‘Oude Pekela’.

Het wordt absurder. Kleijwegt beweert dat de ouders van Oude Pekela indertijd werden weggehoond met hun misbruikverhalen, omdat in die tijd pedofielen nog werden gezien als „kindervriend” – zogenaamd een uitvloeisel van de seksuele revolutie.

In de eerste plaats is het helemaal niet zo dat de hele zaak meteen werd weggezet als massahysterie. Maandenlang brachten de media schokkende verhalen. Nederland verkeerde in de veronderstelling dat kinderen op grote schaal waren ontvoerd en misbruikt. Dat de zaak lange tijd uiterst serieus werd genomen, blijkt bijvoorbeeld uit het bezoek – negen maanden later – van minister Korthals Altes (Justitie, VVD) aan Oude Pekela, dat live werd uitgezonden door het NOS Journaal, en uit het feit dat het onderzoek pas definitief werd stopgezet in oktober 1988.

In de tweede plaats was er in die tijd helemaal geen sprake van een welwillende houding tegenover pedofilie – integendeel. Na vrouwenmishandeling, ongewenste intimiteiten en verkrachting in de jaren zeventig slaagde de vrouwenbeweging begin jaren tachtig erin om ook seksueel misbruik van kinderen, een groot taboe-onderwerp, op de agenda te zetten. Het gevolg was een niet aflatende stroom publicaties, artikelen, reportages en talkshows waarin de ervaringen van slachtoffers uitgebreid aan bod kwamen. Seksueel misbruik van kinderen leek door al deze aandacht plots voor te komen op onverwacht grote schaal. Er was eerder sprake van een groeiende verontrusting over dit enorme probleem dan van een lankmoedige houding tegenover de daders.

Dát was het maatschappelijke klimaat waarin de Oude Pekela-affaire kon ontstaan, kort daarna – in 1988 – gevolgd door de bekende Bolderkaraffaire. Hierbij werden negen kinderen van een kinderdagverblijf ten onrechte uit huis geplaatst. Orthopedagogen, die gebruikmaakten van de nieuwe ‘poppenmethode’, zagen overal ‘signalen’ van seksueel misbruik. Het is geen toeval dat zich in de jaren tachtig niet alleen in Nederland, maar ook in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten tientallen van zulke affaires voordeden. Ze liepen op niets uit, behalve op ellende voor de betrokkenen. Altijd werden de verhalen extremer en gruwelijker, met satanische sekten en ritueel misbruik. Dat die verhalen nog steeds de wereld niet uit zijn, bewees Spits vorige week, met een verhaal over satanisch seksueel misbruik in Nederland – groot op de voorpagina.

Ook priester Antoine Bodar beriep zich begin dit jaar op die vermeende pedovriendelijke moraal om het misbruik in de kerk te relativeren. Het blijft geschiedvervalsing. Oude Pekela heeft niet, zoals Kleijwegt beweert, geleid tot een omslag in het denken over pedofilie, maar – mede onder invloed van de Bolderkaraffaire – tot een kritischere houding tegenover misbruikbeschuldigingen.

Het verhaal van kinderlokkende clowns blijft internationaal telkens opduiken en is in de wetenschappelijke literatuur over urban legends geboekstaafd, als The Phantom Clowns.

Peter Vasterman is mediasocioloog. Hij onderzocht voor zijn proefschrift Mediahype (2004) de berichtgeving over seksueel misbruik in de jaren tachtig en negentig.