Opereren onder het gezag van de kunst zelf

Het werk van de Duitse woesteling Jonathan Meese is altijd net even groter, vetter en dikker dan dat van andere kunstenaars. In het GEM komt hij voorbij in de gedaante van nazi, Romeinse tiran en als Christus.

De figuur op het doek zegt in een tekstballon: ‘Ich lebe’. Hij draagt het IJzeren Kruis voor krijgsverdiensten op zijn lijf, zijn spuitende piemel slingert onder zijn toga vandaan, een swastika zit op zijn schild geplakt, zijn linkerarm is een onbuigzame olifantenpoot, een diagonale homp vlees die niet omhoog, maar omlaag wijst. Hij noemt zichzelf de ‘zoon van de Führer’ in een schilderij dat luistert naar de absurdistische titel DAS KÜKEN der Kunst ISST GERNE MENSCHENEIGELB ZUM FRÜHSTÜCK, kurz nach Weltkrieg III seiet lieb, jetzt.

De maker van het schilderij heet Jonathan Meese (1970). Hij is een woest-expressionistische schilder die erin slaagt om te midden van alle chaos het evenwicht te bewaren. Elke klodder, elke krul, elke snee met het paletmes in de verf, elk driehoekje, vierkant, cirkel, diagonaal, elke kleur wit, paars, smerig roze en natuurlijk zwart staat op zijn plaats, anders dondert de boel genadeloos uit elkaar.

Meese is zo’n kunstenaarstalent dat al een jaar of vijftien over het internationale kunstpodium dendert met werken die eigenlijk alleen in de overtreffende trap te beschrijven zijn. Bij Meese is altijd alles meer, groter, vetter en dikker aangezet dan bij andere kunstenaars. Vaak terugkerende elementen zijn hakenkruizen, de snor van de Führer, geslachtsdelen in slappe en stijve vorm, dood, seks én kneuterige huiselijkheid van sprookjesfiguren als de diamantvis, de lintwormenmoeder of een reeënkindje met paardenoogjes. Het is zoveel en zo vaak dat het je de adem beneemt en je soms laat denken: iets minder mag heus wel, Jonathan.

Ook Nederland heeft inmiddels met Meese kennis gemaakt. Er zijn kleine presentaties geweest in De Appel in Amsterdam, de Haarlemse Hallen, en nu heeft hij dan met veel tromgeroffel bezit genomen van zo’n beetje het hele GEM in Den Haag. Honderden schilderijen, collages, foto’s, beeldhouwwerken, films en grote, uit allerhande rommel bij elkaar gebricoleerde installaties vormen een ‘Totalzelbstportrait’ van de kunstenaar. Het zijn werken die dateren van de laatste vijftien jaar: jaren waarin de kunstenaar zich heeft ontwikkeld van ingetogen zwart-wit naar bombastisch.

Bij zelfportretten denken we aan de portretten van Rembrandt, Dürer en van onze eigen Philip Akkerman. Zelfportretten benadrukken het zelfbewustzijn van de kunstenaar en verlenen hem bekendheid (Dürer), documenteren de opkomst en ondergang van een genie (Rembrandt), verschaffen het genre nieuwe betekenissen door een andere uitdossing van de maker (Akkerman). Vergeet dit alles bij Meese.

Op Meeses zelfportretten trekt de kunstenaar voorbij – maar vaak is dat maar toeval. Hij is er met bril, zonder bril, met pluizige baard en met verward lang haar. Soms is hij dik geschilderd, met hele klodders pardoes uit de tube gedrukt. Soms ook is hij er alleen in sobere streken, een vleesmuisachtige tronie, een lijn, een woord. In het GEM paradeert Meese voorbij als jengelende kleuter, geflipte nazi, Romeinse tiran, lijdende Christus, mythische held, romantische componist, hoerenloper. Exhibitionistisch, inderdaad.

Maar Meese is meer. Een ‘zelfportret’ kan bij hem net zo goed een muur van collages van half blote filmsterren zijn. Of een doek waar een kattenbelletje op is gespeld: ‘Waar is de sleutel van de waskeuken?’ Of een schilderij waar de kunstenaar alleen nog maar met een klein oogje door de verf gluurt. Het kan ook iets zijn waar de kunstenaar zelf helemaal niet op voorkomt.

Meese heeft veel over zijn zelfportretten gezegd. Dat hij het genre gebruikt om verschillende historisch beladen identiteiten en clichés te ontkrachten. Dat hij niet uit is op persoonlijke gelijkenis, maar op de uitdrukking van de vele kanten van zijn persoonlijkheid. En in 2006 zei hij: „Het gaat niet om mijn zielige, kleine kutmening. Of om hoe ik dingen wil. Of om hoe ik dingen zie. Of om wat ik van dingen denk. Ik heb geen mening. Ik ben neutraal. Ik slinger er van alles uit. En de kunst pakt het of niet.”

Een zelfportret van Meese is dus helemaal geen zelfportret van de kunstenaar. Meeses zelfportretten zijn portretten van de kúnst zelf. En die kunst is aan zet als een dictator. De kunst dwingt en stuurt en beveelt dat nu eens een hele tube verf uitgedrukt moet worden, dan weer een foto geplakt, dan weer barbies moeten worden verzameld of skeletten beschilderd. Het is die dictatuur die Meese, volgens eigen zeggen vrij willoos en zielloos tot werken dwingt. De kunst doet wat zij wil en niet wat de kunstenaar wil. Zo staat het ook pontificaal op de muren van het GEM: als een soort beginselverklaring.

Maar natuurlijk moet je dat ook met ironie bekijken. Want de spullen die Meese verzamelt, de plaatjes die hij uitknipt, de historisch beladen onderwerpen die hij uit een roemloos Duits verleden destilleert en tot hedendaagse verbeeldingen van geweld en agressie maakt: het zijn onderwerpen die hij kiest omdat ze, zoals hij zelf eens zei, een ‘wow!!’ in hem oproepen. En ‘wow!!’ – dat is wat Meese zelf is. Het zijn zijn fascinaties, zijn zielenroerselen, hoe hard hij ook het tegendeel beweert. Het is dit vitalistische ‘wow!!’, dat Meese karakteriseert en bij gevolg ook zijn kunst.

Jonathan Meese - Totalzelbstporträt. T/m 15 jan. GEM, Stadhouderslaan 43, Den Haag. Di t/m zo 12-18u. Catalogus: 27,50. Inl 070-3381133 of www.gem-online.nl ****