Een pot verf over het schildersdoek

Op 18 november verschijnt ook de Vlaamse Amsterdammer Ivo Victoria op Crossing Border, het muziek- en literatuurfestival dat van 16 tot en met 19 november plaatsvindt in Den Haag. Sebastiaan Kort besprak het tweede boek van Victoria.

Dankzij het tijdschrift Tirade weten we dat J.J. Voskuil in de korte periode dat hij leraar Nederlands op een middelbare school was, zijn leerlingen liet tellen hoe vaak een schrijver het woord ‘ik’ op een pagina liet vallen. Dit om, via de toen gangbare manier van tekstanalyse, te achterhalen hoe groot het ego van de auteur in kwestie was. Hoe vaker het woord ‘ik’, hoe groter het ego, zo luidde destijds de overzichtelijke formule.

Je moet er aan denken bij lezing van Gelukkig zijn we machteloos, roman nummer twee van de Vlaamse Amsterdammer Ivo Victoria. Geen ikjes tellen hier, maar ‘alsjes’, ‘alsofjes’ en ‘zoalsjes’, want in het boek woekert werkelijk een woud van beeldspraak. Er is niet veel dat niet aan iets anders doet denken, al moet gezegd dat de alwetende verteller er een bloemrijker vocabulaire op na houdt dan Ome Lex, de man die de rest van de vertelling prijsgeeft.

Wringt dat, al die beeldspraak? Jazeker wringt dat, vooral omdat de vraag waar de vergelijkingen nu daadwerkelijk toe dienen in veel gevallen onbeantwoord blijft. Een strottenhoofd ‘vormt de uitgang van alle oceanen’, wimpers en oogleden ‘vechten als een dam tegen de zondvloed’, handen ‘vallen op de tegels als in een smeekbede’, geluid ‘ontaardt in een orkaan van tranen en gehuil’.

Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad op Vrijdag 11 november 2011, pagina 2 - 3. U kunt het hele artikel van Sebastiaan Kort hier lezen.