De markt als Frankenstein

Na de val van de Berlijnse Muur nam het kapitalisme een hoge vlucht.

Te hoog, zo blijkt nu. De financiële markt is gegroeid tot waanzinnige proporties.

Zeventien jaar was hij niet weg te krijgen, mediamagnaat en zakenman-politicus Silvio Berlusconi. Maar wat schandalen, demonstraties, rechtszaken en een toenemende internationale reputatie als paljas niet vermochten, is de financiële markten wel gelukt. De Italiaanse premier trad dit weekeinde officieel af nadat de Italiaanse rentevoet door de markten tot een onhoudbaar hoog niveau was opgedreven.

De beurs eiste het hoofd van Silvio, en kreeg het.

Dat geldt ook voor de hoofden van de premiers van Ierland, Portugal en (tweemaal) Griekenland. De Spaanse premier Zapatero heeft zelf zijn hoofd op het blok gelegd en ruimt binnenkort het veld. In alle gevallen was er sprake van onhoudbare overheidsfinanciën en een probleem om binnen de eurozone te kunnen blijven functioneren. Maar dat werd steeds niet vrijwillig onderkend en te lijf gegaan. Het was altijd de markt die de rentes op overheidsschuld zodanig opdreef dat er geen andere keus meer was dan om te saneren en politiek schoon schip te maken.

Daarmee toont de markt zich ogenschijnlijk effectiever dan de democratie. Die kon de binnenlandse problemen niet aan en zorgt ook nu nog voor het tergend trage tempo bij de oplossing van de eurocrisis. Italië krijgt nu, onder Mario Monti, een kabinet van technocraten. Een zakenkabinet, waarnaar de verzuchting ook in andere eurolanden klinkt. Besluiten nemen, doorpakken, waarbij dat stroperige onheuse proces dat democratie heet in de ijskast moet. Want daar zijn het nu even de tijden niet voor.

De financiële markt beantwoordt aan dat gevoel. Zij staat te boek als een lastpak, als een overdrijvend en hysterisch wezen. Maar ook als de nar die als enige de waarheid durft te spreken aan het hof van de politiek. Of als een objectieve scherprechter, die laat zien waar het op staat. De markt is Dr. Jekyll en Mr. Hyde.

In de jongste geschiedenis liet de markt voor het eerst haar tanden zien bij de Europese valutacrisis van 1992 en 1993. Meester-belegger George Soros verdiende miljarden door het Britse pond uit het falende Europese wisselkoersarrangement te speculeren. In 1994 kelderde de Amerikaanse markt voor verhandelbare staatsleningen. Dat zorgde voor een grootscheepse disciplinering van de overheidsfinanciën onder president Clinton. Daar komt het beroemde citaat vandaan van Clintons belangrijkste adviseur, James Carville. Die zei dat hij altijd had willen reïncarneren als de paus, maar nu liever terugkwam als de obligatiemarkt. „Want dan heb je pas macht.”

We zijn inmiddels tal van financiële crises verder. Azië, Rusland, Mexico, de dotcom-crisis, Argentinië. Middenin dit tijdperk, kort voor zijn aftreden als IMF-directeur in 2000, stelde de Fransman Michel Camdessus verbaasd vast dat de liberalisering van de mondiale economie en de financiële markten sinds de jaren tachtig niet minder, maar juist méér instabiliteit met zich mee leek te hebben gebracht. Hij zou meer gelijk krijgen dan hij wenste. Want daarna kwam de grootste klapper: de kredietcrisis. De eurocrisis leek daarvan aanvankelijk een naschok, maar belooft minstens even hevig te worden.

Wat is er sinds de jaren tachtig veranderd? De oorzaak van de kredietcrisis en de eurocrisis ligt voor een belangrijk deel in het feit dat er te veel schulden zijn gemaakt. Door mensen, door bedrijven en door overheden. Maar tegenover al deze debiteuren staan ook crediteuren. Iets of iemand heeft al dat krediet per slot van rekening mogelijk gemaakt.

China is dat niet: het heeft forse reserves opgebouwd, dat zeker. Maar tegenover de totale bedragen die uitstaan vallen ze in het niet.

De liberalisering van de financiële markten is veel meer de verklarende factor. Het vrijgeven van de handel in financiële producten en instrumenten, de talrijke innovaties die werden ingevoerd en de opkomst van computer en telecommunicatie hebben er samen voor gezorgd dat geldschepping en geldhandel buiten het traditionele domein van de banken en centrale banken zijn getreden.

Dat gebeurde niet zomaar. Het was het resultaat van een democratische politiek.

Na de val van de Berlijnse Muur (1989) en de als definitief beschouwde overwinning van het democratische kapitalisme werden overal in het Westen regeringen aan de macht gebracht die de markt enthousiast omarmden. Er werd gedereguleerd, geliberaliseerd en geprivatiseerd. In de veronderstelling dat de markt zelf het beste mechanisme is voor de verdeling van de productie en consumptie van goederen en diensten, én de financiering daarvan. Beter, in ieder geval, dan de staat zelf.

Dat klopt ook wel. Wie belt met een iPhone heeft de wereld in zijn handen, een product dat stoelt op ontelbare processen, verfijnde mondiale arbeidsverdeling en geniale innovatie. Dat valt niet van bovenaf te plannen: de vrije markt en haar alternatieven verhouden zich als evolutie tot intelligent design. Maar er zijn ook krachten losgemaakt die zich lastiger verhouden tot de democratie die ze zelf heeft ontketend. De financiële markt is tot waanzinnige proporties gegroeid.

De totale waarde van beursgenoteerde aandelen bedroeg in 1991 8.900 miljard dollar. Dat is nu 57.000 miljard dollar. De totale obligatiemarkt voor overheids- en bedrijfsleningen bedroeg tien jaar geleden zo’n 35.000 miljard dollar. Dit jaar overschrijdt hij de 100.000 miljard dollar. Toen George Soros het pond wegspeculeerde schrok de wereld van de dagelijkse omzetten op de internationale valutamarkt: 1.200 miljard dollar per dag! Dat is inmiddels het drievoudige. En destijds bestond de markt voor ‘financiële derivaten’ in de kinderschoenen.

De virtuele economie van de financiële sector is dus enorm geworden ten opzichte van de materiële economie van alledag. Hoe deze staart met de hond is gaan kwispelen weten we sinds de kredietcrisis maar al te goed.

De macht die dit met zich meebrengt is kil. Twee aspecten spelen een belangrijke rol bij het opkomen van de financiële markt: anonimisering en internationalisering. Een paar grote pensioenfondsen of beleggingsinstellingen, of een handvol banken, konden vroeger binnen de landsgrenzen in conclaaf met de overheid of een bedrijf waarvan het beleid ze niet beviel. Maar de miljoenen kleine en grote beleggers en de tienduizenden handelaren van nu hebben geen band met datgene waarin ze handelen.

Het is verleidelijk te denken dat er nu een monster geschapen is, dat zich heeft losgerukt van de snijtafel en gedachteloos om zich heen slaat. Maar de term ‘monster’ suggereert één entiteit. De ‘markt’ of de ‘beurs’ wordt vaak beschreven als een persoon, die schrikt, slecht gestemd is of goed gemutst, op bloed uit is of verwelkomt. Maar deze antropomorfe beurs, deze straffende demiurg, bestaat alleen in onze gedachten. De markt is een samenspel van krachten, van geaggregeerd gedrag, massapsychologie en dierlijke instincten.

Het is een menselijke eigenschap van de beschouwer om van al die onsamenhangende informatie meteen een verhaal te maken, ook als dat er niet is. Het gebeurt dat een politieke gebeurtenis de markt beïnvloedt, zeker. Maar het komt ook voor dat de markten en bepaalde kant opgaan, en daar vervolgens een gebeurtenis in de buitenwereld bij wordt gezocht om het te verklaren. Kijk naar afgelopen woensdagochtend, toen de Italiaanse staatsobligaties hard onderuit gingen. Dat kwam aanvankelijk door een puur technische maatregel op de Londense obligatiemarkt, waar meer onderpand voor de handelaren in Italiaanse staatsschuld werd gevraagd. Maar het verhaal luidde dat er plots twijfel was gerezen rond de belofte van Berlusconi, dinsdagavond, om af te treden. Zo scherp is de scherprechter nu ook weer niet.

De markt heet bovendien objectief te zijn. Dat is slechts tot op bepaalde hoogte het geval. Een staatsschuld die stijgt tot hij ondraaglijk wordt, zal in waarde dalen – waardoor de effectieve rente stijgt. De markt dwingt via die stijgende rente maatregelen af. Maar als het ingewikkelder wordt?

Diezelfde markt is van tijd tot tijd onderhevig aan irrationele trekken. Kijk naar de zeepbellen die er door de jaren heen zijn ontstaan. Dat heeft te maken met het heersende verhaal, het discours, op de markten zelf. De dotcom-zeepbel ging vergezeld van fantastische vergezichten over hoe de wereldeconomie een lang tijdperk van verandering en verbetering in zou gaan: de ‘Nieuwe Economie’. Dat moest ook wel, om de opgeblazen beurskoersen van internet en telecombedrijven te rechtvaardigen. Want de koersen konden alleen zo hoog zijn als de bedrijven zelf een oneindige periode van forse winstgroei tegemoet zouden gaan.

De koersen waren niet langer een boodschapper, zij werden de boodschap zelf. Is dat nu, tijdens de eurocrisis, ook het geval? Dat is, in het heetst van de strijd, lastig te beantwoorden. Het wegspeculeren van bijvoorbeeld Italië is in zekere zin een self-fulfilling prophecy. Het land kan zijn schulden niet betalen. Daarom dalen de koersen van de overheidsobligaties. Daardoor stijgt de effectieve rente op die overheidsobligaties. Waardoor het land zijn schulden niet kan betalen. Etcetera.

Tegelijkertijd geeft de markt het signaal dat in de Europese politiek te lang is genegeerd: een monetaire unie kan niet zonder politieke unie. Een gemeenschappelijke munt verdraagt zich niet met een blijvende nationale soevereiniteit op het gebied van de begrotingspolitiek. Maar hoe die gemeenschappelijke eurozone er dan uit zou moeten zien is weer een ander verhaal. Een Rijnlands model, met een gemengde economie, een sociaal vangnet en een mitigerende rol voor de overheid? Of een sterk geliberaliseerde economie waar de krachten van de vrijheid hun gang kunnen gaan, bij een bescheiden rol voor de staat?

Dát is het werkelijke discours op de markt: stabiliteit bij redelijke economische prestaties, of een hogere gemiddelde economische groei bij minder zekerheid. Niet het kapitalisme zelf, maar de vorm waarin het wordt gegoten is hier de inzet.

Hier moet worden gezegd dat de meningsvorming op de financiële markten wordt gedomineerd door Engelstaligen. New York en Londen zijn de grote financiële centra. De voertaal op de beurzen, ook op het continent, is Engels en native speakers hebben er een natuurlijk voordeel. Handelaren en beleggers worden bovenmatig beïnvloed door Angelsaksische media, analisten, economen, meningsvormers en beursgoeroes.

Zo objectief is de markt dus ook weer niet. Voor je het weet wordt het bevallige Europa omgebouwd tot het evenbeeld van schrijfster en filosofe Ayn Rand, met een hyperindividualisme en een risicobereidheid waarvan de culturele wortels op het continent op zijn best ondiep zijn.

Iets dichter bij de actualiteit is het discours over de positie van de Europese Centrale Bank. Op de financiële markten wordt er openlijk op aangestuurd dat de ECB uiteindelijk moet ingrijpen en de staatsschuld van probleemlanden moet financieren met de geldpers. Dat doen de Amerikaanse en Britse centrale banken namelijk ook al. Dat er met name in Duitsland grote weerstand tegen is, is bekend. De weerzin tegen uit de hand lopende inflatie is daar even sterk verankerd als de Amerikaanse angst voor een tweede Grote Depressie. Maar het zou zomaar zo ver kunnen komen dat de financiële markten Europa uiteindelijk toch tot monetaire financiering van de staatsschuld dwingen.

De vraag is wat daar democratisch aan is. Dat ‘de markt’ erin slaagde om Berlusconi te onttronen kan, om pragmatische redenen, welkom zijn. Dat daar de acute maatregelen worden afgedwongen die nu nodig zijn, ook. Maar stellen dat er enkel sprake is van objectieve, technische problemen die nu door de natuurkrachten van de beurzen worden geopenbaard, is naïef. De financiële markt mag dan geen letterlijk monster zijn, maar te groot is zij wel. En weinig weerhoudt haar ervan zich uiteindelijk tegen haar schepper te keren.