Bezoekers koekeloeren in een kijkdoos vol camera's

Expositie

In-Sight

JCJ Vanderheyden, , t/m 29 januari 2012 in Museum Boijmans Van Beuningen, R’dam. ***

„Dit zouden ze in elke zaal moeten doen”, bromt een suppoost in Museum Boijmans Van Beuningen. Hij staat in de kleine zaal van de tentoonstelling van JCJ Vanderheyden, waar een monitor de beelden toont van de beveiligingscamera in de tweede zaal. Dat scheelt hem een loopje, geeft de suppoost toe.

Toch is deze camera geen nieuwe beveiligingstruc. Dit is kunst. De camera is onderdeel van een expositie die Vanderheyden inrichtte met spiegels en schilderijen. Het is een tentoonstelling vol spiedende blikken, die hij in het dagelijks leven continu in zijn rug moet voelen. Op een atelierfoto is te zien hoe ook daar een monitor omgevingsbeelden toont en dat er in de hoek een bolspiegel hangt. De ramen in het atelier zijn nep, eigenlijk schilderijen, die ook de museumzalen vullen met uitzichten op wolkenvelden. Met zijn spiegels, camera’s en uitzichten is het een tentoonstelling die gaat over kijken.

Vanderheyden (1928) begon zijn kunstenaarscarrière in de jaren vijftig als abstract schilder. Toen in de jaren zeventig de kunsten besloten dat alles anders moest, was hij van de partij. Hij pionierde met computergraphics, legde zich toe op ademhalingsoefeningen en tijdsexperimenten en werd lid van de ‘zware Van Nelle Club’ van kunstenaars die stoeiden met video en geluid.

De schildersspullen stonden te verstoffen, maar niet voor lang. Bij dit kleine retrospectief – het blikveld immers van één bewakingscamera – overheerst de geschiedenis van de schilderkunst. Vanderheyden maakt abstracte composities en landschappen die bestaan uit twee of drie kleurvlakken en die hij omringt met meer historische vertes van Bosch, Breughel, Van Gogh. Deze fotokopietjes plakt hij met eigen minischilderijtjes in een kamertje dat een soort kijkdoos vormt.

„Please stand back”, maant de suppoost de toeristen die iets te dicht op deze raadselachtige miniatuurkamer kruipen – ja, de mensen kijken, maar moeten ze er hun eigen projecties op loslaten? Of moeten ze vorm-overeenkomsten zoeken?

In die kijkdoos hangt ook een kopie van een foto van Thomas Struth, een hedendaagse kunstenaar die net zo van oude meesters houdt en drukbezochte museumzalen fotografeert. Struths sociologisch uitziende foto’s, van museumbezoekers die elkaar en zichzelf bekoekeloeren, hebben een lichtheid die je soms vermoedt bij Vanderheyden. Of lijkt dat maar zo, en is het toch vooral een bloedserieuze studie van zware kwesties als perceptie en authenticiteit?

Waarschijnlijk laat Vanderheyden kijkers graag gissen. Hij behing de museummuren met een grijze uitvergroting van een kijkdoosvormige maquette met tekenlijnen en een vage foto – is dat een vliegenoog, dat alles beter ziet dan wij? Dan hebben Struths museumbezoekers het gemakkelijker. Als Vanderheyden wil dat wij anders kijken, moet hij meer middelen bieden dan abstracte einders en spiegels waarin je anders toch vooral kijkt of je haar wel goed zit.

Sandra Smets