Tomeloos in zijn zucht naar macht

Italië viel in 1994 voor Berlusconi. De markten dwongen zijn vertrek af. „Als hij valt, eindigen we allemaal in de cel.”

FILE - In this Friday, Feb. 3, 2006 file photo, Italian Premier Silvio Berlusconi attends an Italian Republican party program conference in Rome. Pressure mounted on Premier Silvio Berlusconi to resign so a new government could pass the economic reforms Italy needs to avoid financial disaster, as the country's borrowing rates spiked Monday, Nov. 7, 2011, and talk of early elections intensified. (AP Photo/Gregorio Borgia, File) AP

Wat vrijwel geen Italiaan nog voor mogelijk hield, is zaterdag dan toch gebeurd. Premier Silvio Berlusconi (75) heeft zijn ontslag ingediend. Berlusconi’s almacht was zo groot dat hulp van buitenaf nodig was om hem op de knieën te krijgen.

De multimiljardair en mediatycoon vond uiteindelijk zijn Waterloo uitgerekend waar hij zijn imperium bouwde: op de vrije markt. Internationale investeerders deden wat de Italiaanse democratie niet meer vermocht, verlamd als deze was door de populist Berlusconi, zijn verleidingstrucs, zijn mediadominantie, zijn sinistere en cliëntelistische machtspolitiek, en zijn afkeer van democratische instituties.

De Zonnekoning, Napoleon, Julius Caesar, Jezus Christus – geen vergelijking of bijnaam gingen hem en zijn aanhangers te ver om zijn uitzonderlijke kwaliteiten te roemen. Hij mikte op een directe emotionele relatie met „het volk”. Het volk dat hem democratisch had gekozen, beschouwde hij als zijn verdedigingsschild tegen de rechterlijke macht.

Hij weerspiegelde Italië’s deugden en ondeugden, en veel Italianen spiegelden zich twee decennia lang aan hem. Tomeloos was hij in zijn ambitie, zijn zucht naar macht en zijn wil geliefd te zijn. „Meno male che Silvio c’e!” (Gelukkig dat Silvio er is), luidde zijn partijhymne. Grenzeloos was ook zijn bereidheid regels te overtreden, tegenstanders te intimideren en bondgenootschappen te sluiten die het land benadeelden en hem zelf vooruit hielpen.

Berlusconi doorbrak elk voorgeschreven decorum. Hij was de anti-politicus die het volk met zijn ondeugende narrengedrag verleidde. Door kiekeboe te spelen met de Duitse bondskanselier Angela Merkel, door de Amerikaanse president Obama „mooi gebruind” te noemen, en twee vingers op te steken achter het hoofd van een bevriend staatshoofd. Hij bood zijn hand aan een televisiepresentator en zei: „Ruik eens... dit is de geur van heiligheid”.

Zijn soepelheid van geest en zijn tomeloze ambitie openbaarden zich al vroeg bij deze in 1936 geboren zoon van een Milanese bankemployé en een huisvrouw. Op kostschool bij de salesianen in Milaan deed hij tegen betaling het huiswerk van zijn studiegenoten. Hij studeerde cum laude af in rechten met een prijswinnende scriptie over de contractuele aspecten van advertenties op tv.

Na een korte carrière als zanger op een cruiseschip stortte hij zich met bravoure op de booming business van die tijd, de bouw. Hij bouwde en verkocht eerst vier, daarna duizend en vervolgens vierduizend appartementen. Het geld kwam deels van nooit geïdentificeerde Zwitserse investeerders, waarachter menigeen de hand van de Siciliaanse maffia vermoedde – iets wat nooit kon worden bewezen. Zijn financieel imperium werd een collectie van brievenbusmaatschappijen aanvankelijk op naam van stromannen, wat hem diverse rechtszaken wegens belastingontduiking en fraude opleverde.

In 1994 was hij mede dankzij de bescherming van belangrijke politici uitgegroeid tot de rijkste zakenman van Italië: eigenaar van een supermarktketen, een voetbalclub (AC Milan), een verzekeringsbedrijf, een bank, een bouwconglomeraat, drie commerciële landelijke televisiezenders, een uitgeverij, kranten en een reclameconglomeraat.

Ook toen ging Italië gebukt onder een diepe crisis. Een steekpenningenschandaal genaamd ‘Tangentopoli’ had een hele politieke klasse en veel ambtenaren en ondernemers in de beklaagdenbank gebracht. Berlusconi vreesde ook te worden vervolgd. „Als ik niet de politiek in ga, sturen ze me de gevangenis in en laten ze me failliet gaan”, zou hij hebben gezegd volgens de voormalige hoofdredacteur van zijn krant Il Giornale, Indro Montanelli.

En dus „betrad hij het strijdtoneel”, zoals hij het in voetbaltermen noemde. De machtige marketingafdeling van zijn reclamebedrijf Publitalia organiseerde de op Amerikaanse leest geschoeide campagne. Op 26 januari 1994 stuurde hij een videoband naar de Rai, zijn eigen zenders en Reuters die op alle Italiaanse kanalen werd uitgezonden.

In Amerikaanse huiselijke setting met een familiefoto in de buurt verleidde hij de kijker met de mededeling dat hij niet anders kon dan ingrijpen nu het land werd geteisterd door een steekpenningenschandaal. Hij zat daar al als de nieuwe premier.

Italië viel als een blok voor hem en zijn partij Forza Italia, een zorgvuldig geteste naam die zijn liefde voor Italië, zijn verwantschap met de voetbalminnende, volkse Italiaan en zijn optimisme uitstraalden. Berlusconi smeedde een onmogelijk bondgenootschap. Hij verleidde Umberto Bossi van de Lega Nord, die Noord-Italië wilde afscheiden, en verbond hem met de neofascist Gianfranco Fini, die pleitte voor een sterke centrale staat en druk doende was om zijn partij salonfähig te maken.

Het werd een flop. Al een half jaar later viel zijn kabinet op een pensioenhervorming die Bossi – toen al – niet wilde accepteren. Berlusconi voelde zich verraden. Een zeven jaar durende „tocht door de woestijn”, volgde. Een periode waarin hij failliet dreigde te gaan, vervolgd werd, maar waar hij zich doorheen knokte.

Opnieuw wist hij zich te verzekeren van de steun van Bossi en Fini. En in 2001 kregen 12 miljoen Italianen een boek in de brievenbus: „Una storia Italiana’’, een fotoboek waarin alle successen werden opgesomd van de opnieuw succesvolle zakenman Silvio Berlusconi. Hij presenteerde zich zoals de Italianen iemand graag zagen: familieman, voetbalfan, succesvol ondernemer, aanbidder van schoonheid en zakenman die het land kon leiden als een bedrijf.

Hij won en toonde vrijwel direct zijn ware gezicht. Binnen een paar maanden had hij valse boekhouding uit het wetboek van strafrecht geschrapt. Binnen een jaar werd het voor justitie moeilijker om belastende informatie uit het buitenland te halen. De staat subsidieerde de aanschaf van decoders voor digitale tv, waarin zijn bedrijf voorop liep. Hij schafte successierecht af, voerde zijn eigen immuniteit in en redde zijn zender Rete 4 van sluiting.

In de jaren erna volgden nog vele wetten die toegespitst waren op zijn bedrijf of zijn juridische bescherming. Hij verdedigde zich tegen rechters die hem vervolgden voor belastingontduiking, fraude, corruptie, door rechtszaken zo lang mogelijk te traineren en verjaringstermijnen wettelijk in te korten. Hij strafte journalisten die te kritisch waren door hun programma bij de Rai te schrappen. Hij dreigde te kritische kranten hun reclame te ontnemen.

Maar hij zorgde goed voor wie hem steunde en hij kwam ook beloftes na. Zo schafte hij de onroerendgoedbelasting af, bood hij belastingontduikers tot drie keer de kans voor een habbekrats in het reine te komen met de fiscus. En op tv en in de omgang met kiezers en partijgenoten bleef hij moppen tappen.

Stampa-journalist Massimo Grammelini die Berlusconi aanvankelijk als sportjournalist (Milan) en later als politiek verslaggever volgde, schreef dit weekend: „Berlusconi bleef me aan het lachen maken en bleef me angst in boezemen. Uiteindelijk beangstigde hij me steeds meer dan dat hij me liet lachen.”

Het baatte niet. In 2006 won de teruggekeerde voorzitter van de Europese Commissie, Romano Prodi, ternauwernood de verkiezingen. Iedereen dacht dat Berlusconi daarmee was afgeschreven. Maar het kabinet-Prodi sneuvelde al na anderhalf jaar door onderling gekibbel.

Dankzij dit falen van links kon Berlusconi in 2008 opnieuw het premierschap naar zich toe trekken. Twee maanden lang bezette hij alle televisiekanalen. Hij liet zich interviewen, brak telefonisch in bij praatprogramma’s en haalde alle politieke programma’s van de buis, waardoor kritisch debat onmogelijk was.

Zijn verkiezingsprogramma was simpel. Hij beloofde een eind te maken aan het Napolitaanse vuilnisschandaal en de noodlijdende vliegmaatschappij Alitalia Italiaans te houden. Hij presenteerde zich als de kandidaat-premier van het „doenerskabinet” en won. Nog nooit was zijn parlementaire meerderheid zo groot en nog nooit verspeelde een politicus zijn riante positie zo snel.

Het ene na het andere corruptieschandaal rond partijgenoten volgde, drie ministers moesten aftreden. De jonge meisjes en zijn voorliefde voor hen kwamen in de openbaarheid. De bunga-bunga-feesten en een systeem van sjacheraars om hem heen, toonden steeds meer aan dat hij chantabel was. Zijn bondgenoot Fini vond het genoeg en brak met Berlusconi die daardoor eind vorig jaar politiek leek te sneuvelen.

Maar zijn overgebleven aanhang beschermde hem te vuur en te zwaard. „Als hij valt, eindigen we allemaal in de cel”, zo verwoordde een van hen de angst. Ze realiseerden zich dat ze hun rijkdom aan Berlusconi hadden te danken en bleven hem steunen. Met geld en mooie banen wist de premier genoeg parlementariërs in zijn kamp terug te lokken om voort te regeren. Nog een jaar sleepte het kabinet zich van schandaal naar schandaal. Berlusconi werd de risee van de internationale politiek, totdat de markten het vertrouwen vorige week opzegden.

En nu staan de Italianen onder curatele van de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en het IMF. Opnieuw lieten ze zich bedriegen door een sterke man die hen twintig jaar voorging. Na de droom die Mussolini hun tussen 1922 en 1943 voorhield, bleek ook de idylle die Berlusconi tevoorschijn toverde van bordkarton.

Berlusconi laat Italië achter zoals hij het Tangentopoli (Steekpenningenstad, het politieke corruptieschandaal van toen) aantrof: angstig, vol wantrouwen, zonder veel hoop op beterschap en met een enorme staatsschuld. Vergeven van corruptie en lijdend aan een minderwaardigheidscomplex. Op de rand van de financiële afgrond.

Aan Mario Monti de taak de Italianen hun geloofwaardigheid terug te geven. En il cavaliere zal een keuze moeten maken: of opnieuw terugvechten, zijn partij, zijn bedrijven en de Italianen als schild gebruiken tegen de rechters. Of een veilig heenkomen zoeken richting Antigua, waar een prachtig buiten en vast veel meisjes op hem wachten. Zijn ongekende trots zou hem nog wel eens van dat laatste kunnen weerhouden.