Toen de clubpas nog wietpas was

In de Gouden Eeuw was het geen probleem bakken met geld te verdienen aan opium.

Nu minister Opstelten de ‘clubpas’ wil invoeren, zullen toeristen massaal wegblijven.

Consumptie goederen.Straat beelden. Koninginnedag 1985 Amsterdam. Man verkoopt space cake op een kraam op het Leidseplein.;

Onze grootste toeristische trekpleister, drugs, is binnenkort verleden tijd. Het kabinet is van plan om in heel Nederland de wietpas, of zoals het inmiddels heet, de ‘clubpas’ in te voeren. Toeristen zullen zich tevreden moeten stellen met molens en tulpen. Het Nederlands Bureau voor Toerisme houdt het hart vast voor kelderende inkomsten. Maar ook burgemeesters en politiekorpsen maken zich zorgen: de drugshandel zal zich op grote schaal naar het illegale circuit verplaatsen.

In de Gouden Eeuw vonden we het nog geen probleem om bakken met geld te verdienen aan geestverruimende middelen. De VOC haalde grote hoeveelheden opium uit de Bengalen (het huidige Bangladesh). In 1745 werd de Sociëteit tot den Handel in Amfioen opgericht. Deze moest de opiumhandel gaan reguleren. Aziaten hadden doorgaans weinig interesse in Europese producten en moesten daarom in zilver of goud worden betaald. Toen bleek dat opium ook werd geaccepteerd, groeide de drugshandel in rap tempo.

Tot aan het einde van de negentiende eeuw werd er in Nederland zelf nauwelijks drugs gebruikt. In 1900 verrees in Amsterdam de Nederlandse Cocaïnefabriek, de grootste ter wereld en in de jaren twintig marktleider in de productie van cocaïne. Cocaplanten van Java werden verwerkt tot zuivere cocaïne en in de Eerste Wereldoorlog geleverd aan alle strijdende partijen. Het middel maakte de gebruiker agressief en roekeloos – eigenschappen die perfect pasten bij de krankzinnigheid van de Eerste Wereldoorlog. Formeel produceerde de fabriek alleen voor medicinaal gebruik, maar het was een slecht bewaard geheim dat de fabriek na de oorlog gewoon doorging met het leveren van drugs als genotsmiddel.

Onder internationale druk kwam in 1919 onze Opiumwet tot stand. Het drugsgebruik van de gemiddelde Nederlander ging op dat moment niet veel verder dan wat morfine van de dokter. De grootste uitzondering waren de Chinezen, die in Rotterdam en Amsterdam openlijk opium gebruikten. Daar deed niemand moeilijk over.

De jaren vijftig staan bekend als jaren van gezagsgetrouwheid en vroomheid. Een enkeling onttrok zich echter aan dit burgerlijke fatsoen. In Duitsland gelegerde Amerikanen brachten geestverruimende middelen mee naar bijvoorbeeld de Amsterdamse jazzclub Casablanca. Voor een knaak had je een pretsigaret en voor een tientje een luciferdoosje vol lekkers. Vooral muzikanten en mislukte intellectuelen waren geïnteresseerd.

Overlast veroorzaakten deze zweverige levensgenieters nauwelijks, maar toch kon je tot diep in de jaren zestig maar beter geen jointje bij je hebben. Voor het bezit van één marihuanasigaret stond een maand celstraf. Twaalf sigaretten betekende dus een jaar brommen.

Het net op de markt gekomen LSD werd vanaf 1966 verboden. Het gerucht ging namelijk dat Provo’s het huwelijk van Beatrix en Claus wilden verstieren door de paarden van de trouwkoets suikerklontjes met LSD te voeren. Met de komst van de hippies vloog het drugsgebruik door het plafond. De Amsterdamse Narcoticabrigade had er de handen vol aan: het Vondelpark werd overspoeld door parkslapers met jointjes in alle zakken. Op den duur werden er bijna dagelijks koffers met hasj gevonden – er viel niet meer tegenop te rechercheren. Daar kwam bij dat de gebruikers geen criminelen waren, maar behoorlijk sympathieke lui. De meisjes deelden zelfs bloemetjes uit.

De belangrijkste aanleiding voor het decriminaliseren van softdrugs was het Holland Pop Festival. Op 26 juni 1970 kwamen honderdduizend hippies bijeen op een groot veld in het Kralingse Bos. Drie dagen lang werd er wiet gerookt en af en toe naar muziek geluisterd. De politie aarzelde. Uiteindelijk werd besloten dat ingrijpen te risicovol was. Al een paar jaar eerder had het Openbaar Ministerie de vervolging van drugsverbruikers op een laag pitje gezet: de werkdruk werd te hoog.

In 1972 opende de eerste coffeeshop, de Mellow Yellow, in Amsterdam haar deuren. Onder het kabinet-Den Uyl ontstond een vreemde situatie. Coffeeshops mochten vijfhonderd gram cannabis op voorraad hebben en vijf gram per klant verkopen. Daarmee was het gedoogbeleid geboren. Intussen bleef het inkopen en telen van wiet illegaal. De handel in drugs kwam terecht in het illegale circuit, waar miljoenenwinsten werden gemaakt. Figuren als Klaas Bruinsma begonnen met het importeren van enkele tientallen kilo’s uit Antwerpen, maar dat werden al snel honderden kilo’s uit Marokko en Libanon.

Toen kwam er een nieuwe harddrug ten tonele waar cannabis kinderspel bij was: heroïne. Voor het kabinet-Den Uyl was de gezondheid van de gebruiker het belangrijkste uitgangspunt. Daarom werd in 1976 een scheiding tussen softdrugs en harddrugs aangebracht, waarvan de laatste streng verboden bleef. Zo konden de wietgebruikers worden weggehouden van de veel gevaarlijkere harddrugsscene. Inmiddels was uit wetenschappelijk onderzoek gebleken dat de risico’s van hennepgebruik minder groot zijn dan die van de sinds jaar en dag genormaliseerde drug alcohol.

Het is de hoogste tijd voor een fikse dosis VOC-mentaliteit. Als we drugs legaliseren krijgen we grip op de achterdeur van de coffeeshop, kunnen we de kwaliteit van het spul controleren en verdienen we miljoenen aan accijnzen. De duizenden toeristen die de molens en tulpen bij nader inzien toch niet zo interessant vinden brengen immers veel geld in het laatje. Volledige legalisatie is lastig met de huidige Europese regelgeving, maar wellicht dat we het kunnen afdwingen in ruil voor onze steun aan het noodfonds.

De plannen van minister Opstelten brengen het slechtste van drie werelden bijeen: criminaliteit op straat, gezondheidsproblemen voor de gebruiker en hoge kosten voor de overheid. Dat waren nu net de drie redenen waarom we veertig jaar geleden zijn gaan gedogen.

Rutger Bregman (1988) is historicus. In maart verschijnt zijn boek ‘Met de kennis van toen. Actuele problemen in het licht van de geschiedenis’ bij de Bezige Bij.

    • Rutger Bregman