Terug naar die magische plek

Robbert Dijkgraaf wordt directeur van het Institute for Advanced Study in Princeton, waar Einstein ooit werkte. „De plek die mijn leven veranderde.”

Kan iemand verliefd worden op een wetenschappelijk instituut? Het ligt niet voor de hand, maar wie Robbert Dijkgraaf hoort praten over het Institute for Advanced Study in Princeton, New Jersey, een 81 jaar oud onderzoeksinstituut voor excellente wetenschappers, moet wel concluderen dat het mogelijk is. Waar je ook over begint – Dijkgraafs werk als president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), zijn onderzoek naar een wiskundige onderbouwing van de snaartheorie, zijn vrouw en zijn drie tieners – in zijn antwoord op elke vraag komt hij al snel weer terug bij die „magische plek”, het Institute. Dijkgraaf spreekt de term liefkozend uit, op zijn Engels.

Hij vertelt enthousiast dat Albert Einstein er gezeten heeft, en Robert Oppenheimer. Dat op die moment de internationale topvier uit zijn vakgebied (de mathematische fysica) er verblijft. Hij memoreert zijn eigen verblijf als post-doc op het Institute begin jaren negentig, „dat mijn hele leven veranderde”. Hij roemt het wetenschappelijke niveau, de internationale sfeer, zelfs de bossen eromheen: „Net een Engels landgoed.” En Dijkgraaf boft, want op 1 juli 2012 treedt hij er aan als directeur.

In mei legt hij het presidentschap van de KNAW neer. En hoewel hij wel kritiek heeft geuit op de terughoudende opstelling van de Nederlandse overheid als het gaat om de financiering van fundamenteel onderzoek, haast hij zich om te zeggen dat zijn vertrek „absoluut niets” te maken heeft met het wetenschappelijk klimaat in Nederland.

„Ik ben erg trots op Nederland. Ik las laatst dat de gemiddelde kwaliteit van Nederlandse fysici de hoogste ter wereld is, in termen van citaties. Ik heb bij de Universiteit van Amsterdam alle vrijheid als universiteitshoogleraar en als president van de KNAW heb ik ook een mooie ambassadeursrol. Maar dit is voor mij een heel mooie volgende stap in mijn loopbaan, de perfecte mix van zelf onderzoek doen en bestuurlijke en publieke taken.”

En helemaal weg gaat hij niet. Hij zal als universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam verbonden blijven, zoals hij ook co-voorzitter blijft van de Inter Academy Council (het internationale verbond van wetenschapsacademies dat onder meer de VN over het klimaatbeleid adviseerde). En hij blijft zijn column voor de wetenschapsbijlage van deze krant schrijven.

Hij zal er ongetwijfeld nog meer werk bij nemen; Dijkgraaf is een toptalent in timemanagement, wat hij vooral toeschrijft aan zijn vermogen zijn aandacht snel en volledig te switchen van het ene onderwerp naar het andere, én aan het enorme aantal uren dat hij maakt: „Je moet wel zorgen dat het optelt tot 200 procent.”

Dit interview vindt dan ook grotendeels plaats op de achterbank van zijn auto-met-chauffeur, onderweg naar een wiskundige lezing over ‘11-11-11’, die hij die dag geeft op een symposium van het Nederlands Architectuurinstituut.

Wat wilde u bereiken als KNAW-president, en is dat gelukt?

„Ik denk dat mijn belangrijkste motto friendraising before fundraising was: vrienden winnen voor de wetenschap. Ik wilde dat wat wetenschap waardevol maakt, bij mensen onder de aandacht brengen: het fascinerende ervan, het nut, de diversiteit en ook de jonge aard ervan. Wetenschappers zijn gemiddeld erg jong en altijd jong van geest. Die creativiteit, dat enthousiasme wilde ik naar buiten brengen.

„Ik heb kunnen doen wat ik wilde. Maar misschien denk ik op het moment dat ik bij de KNAW afzwaai: eigenlijk had ik dát moeten doen.”

Bent u gevraagd om directeur van het IAS te worden? Hoe ging dat?

„Ja, het is een lang proces geweest, ze waren heel voorzichtig. Ik las laatst in een van de vele biografieën van Oppenheimer hoe dat bij hem gebeurde – en dat was exact hetzelfde. Eerst een keer een gesprekje…”

Waarbij u niets doorhad?

„Nauwelijks. Er was in mijn hoofd ook geen enkele gedachte om die stap te nemen, ik was er helemaal niet aan toe. In de zomer waren de eerste gesprekken, op Long Island” – daar brengt Dijkgraaf de laatste jaren steeds een aantal zomerweken met vakgenoten door om zich rustig aan zijn onderzoek te kunnen wijden – „en toen dacht ik: waarom zou ik dat doen? Ik voel me zo vergroeid met Nederland. Maar langzaam begon ik toch te zien: misschien is het wel een heel logische volgende stap.”

Krijgt u als directeur wel tijd om zelf onderzoek te doen?

„Meer dan nu, verwacht ik. En: de belangrijke mensen op mijn vakgebied zijn daar of komen er langs. Ik verwacht dat ik meer tijd zal hebben voor reflectie, meer tijd om door te kunnen werken aan een bepaald probleem. Edward Witten, de grondlegger van de mathematische fysica, indertijd een van mijn leermeesters op het Institute en degene met wereldwijd zo’n beetje de hoogste citatiescore in de hele wetenschap, vertelde laatst in De Groene mooi over hoe dat gaat. Je gaat ’s ochtends aan het werk en aan het eind van de dag heb je soms iets en soms ook niets. Dan ga je weer naar bed in de volgende ochtend ga je er weer voor zitten.”

Het lijkt wel schrijven.

„Ja, het is net schrijven! Ik herken dat bij mijn vrouw [Pia de Jong, red.], die romans schrijft. Die is soms vier jaar bezig aan een boek. Als ik haar kamer binnenloop, schrikt ze echt op uit haar concentratie. Ook als onderzoeker heb je een plek nodig waar je je kunt concentreren en het Institute is zo’n plek.”

Tegelijkertijd bent u heel sociaal, heel anders dan de prototypische introverte natuurkundige, zoals Witten bijvoorbeeld wel is.

„Ik heb inderdaad die twee kanten in mij. En er zijn niet zoveel plekken op de wereld waar je die verstilling hebt en tegelijkertijd die sociale rol kunt spelen. De wetenschap heeft die twee kanten zelf ook: dat individuele is heel belangrijk, maar het krijgt pas waarde door het met anderen te delen. Dat vind ik mooi. En dat heeft wetenschap gemeen met kunst, met muziek bijvoorbeeld. Je speelt piano en de hele wereld begrijpt je. Dat is precies hetzelfde met een wiskundige formule.”

Dat de hele wereld je begrijpt?

Lachend: „De hele wiskundige wereld dan. Het is een manier om heel direct met anderen in contact te komen. Ik denk dat muzikanten hetzelfde hebben: het is heerlijk om samen te spelen, of voor publiek, maar je zit ook eindeloos in je eentje te oefenen.”

Waar gaat u aan werken?

„Ha!” Hij denkt even na. „Kort gezegd: ideeën die natuurkundigen hebben ontwikkeld, zijn relevant voor delen van de wiskunde op zich die niets met natuurkunde te maken hebben. Als je aan een elektron of een ander deeltje denkt, kun je bijvoorbeeld kijken naar de soorten paden die dat deeltje kan afleggen, de kans dat het een bepaald pad aflegt, het aantal paden… Zo prikt zo’n natuurkundig concept als een satéprikker door allerlei deelgebieden van de wiskunde heen, van topologie tot kansrekening tot getaltheorie. Die blijken dan met elkaar verbonden te zijn, vaak op een heel onverwachte, spannende manier.

„Ik werk zelf al heel lang aan zo’n soort probleem waarbij ik voor de kans dat een deeltje een pad heeft afgelegd, als ik er op een bepaalde manier tegenaan kijk, gehele getallen krijg. En met waarschijnlijkheid hoort dat niet – dat hoort niet discreet te zijn, geen losse punten, maar continu, als een lijn. Die formule lijkt meer te weten dan ik, maar wat? Dus moet ik hem omdraaien, ertegenaan duwen, aan schudden, in de hoop dat er iets uit komt.”

Ook dat lijkt weer erg op het werk dat uw vrouw doet.

„Ja, precies ja. Zij heeft wel dat haar romanfiguren een eigen leven gaan leiden, ik heb hetzelfde met formules. Alsof er leven in geblazen is.” En hij kijkt weer alsof hij een mooi cadeau gekregen heeft.

Ellen de Bruin

    • Ellen de Bruin