Straattaal

Nederland, Doorn, 02-11-11 Marjolijn Februari. © Foto Merlin Daleman

De vier evangelisten, Mattheus, Marcus, Lucas en Johannes, zaten in 1558 in de gevangenis. Gelukkig werd in dat jaar Elizabeth de Eerste tot koningin van Engeland gekroond. Aangezien het de gewoonte was gevangenen vrij te laten bij zo’n feestelijke gelegenheid, vroeg de hofhouding aan Elizabeth of ze de evangelisten en de apostel Paulus ook eindelijk wilde bevrijden. Die zaten immers al tijden opgesloten in een vreemde taal – „shut up in a strange language” – en niemand kon er bij.

Dit verhaal vertelt Charles Dickens in zijn geschiedenisboek voor kinderen. Bij sommige lezers leidt het tot de conclusie dat de Bijbel een vervalsing is uit de moderne tijd. Want zeg nou zelf, hoe konden de evangelisten Jezus ooit hebben ontmoet als ze in de zestiende eeuw leefden? Maar je kunt het verhaal ook minder letterlijk nemen. Volgens Dickens besloot koningin Elizabeth de evangelisten te vragen of ze inderdaad uit het Latijn wilden worden bevrijd, ze organiseerde een religieus debat, stelde vast dat het wel handig is als mensen de taal waarin ze spreken kunnen begrijpen en zorgde voor kerkdiensten in gewoon Engels.

Onlangs verscheen een straatbijbel, de ‘Torrie van Mattie’, die al meteen weer was uitverkocht. Voormalig jongerenwerker Daniel de Wolf bevrijdde de evangelist Mattheus uit de gevangenis van het Algemeen Beschaafd Nederlands en stuurde hem de straat op. Daarmee kwam deze Torrie van Mattie in een lange traditie te staan van rijmbijbels, lekenbijbels, plaatjesbijbels, armenbijbels, volksbijbels, korte bijbels (‘den Bibel int corte ghetranslateert’), lange bijbels (‘den Bibel ghetranslateert, ende vermeerdert’) en Huub Oosterhuis.

Nu hoorde ik Huub Oosterhuis toevallig laat op de avond via de autoradio vertellen over zijn vertaling van de psalmen die ook al net is verschenen en waarin hij, als ik alle interviews goed begrijp, het woord van God niet zozeer heeft ghetranslateerd ende vermeerdert, als wel rücksichtslos verbeterd. „Ik grijp in. Ik censureer.”

Het resultaat is een volstrekt eigen Bijbeltekst. „Nee, dat is niet ijdel.” Het gaat er maar om dat de tekst toegankelijk wordt voor „de mensen”.

Tot zover vond ik het allemaal best. Ook al begrijp ik zelf meestal de dingen niet langer als Oosterhuis eraan te pas is gekomen. Zo begint psalm 8 bij hem aldus:

Onbegonnen naam onnoembaar jijwie jijlaag of hoog in welke aarde-uithoek jijwie jij?

Hè, wat? Nee, geef mij God zelf dan maar. Toch zou ik die avond onbekommerd verder hebben gereden als Oosterhuis niet naar zijn mening over de Torrie van Mattie was gevraagd.

Hiertoe moet u weten hoe die versie voor straatjongeren klinkt. Mattheus 1 vers 19 luidt in de Statenvertaling: ‘Jozef nu, haar man, alzo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde openbaarlijk te schande maken, was van wille haar heimelijk te verlaten.’

In de straatversie wordt dat: ‘Maar Jowie was een rustige boy en hij wilde geen buzz en redu en haters praatjes over Maria en hij dacht erover om hun relatie in stilte te verbreken, je weet toch. Gewoon net doen of hij van nix wist en het uitmaken.’

Huub Oosterhuis stroomde niet over van enthousiasme. Voor hem hoefde de Torrie niet. „Ik weet niet of hij een functie heeft. Voor wie is hij bedoeld?” Voor mensen die deze taal begrijpen, suggereerde de interviewer. Die begrijpen een andere taal ook wel, sputterde Oosterhuis. „Het is in ieder geval heel iets anders dan uw hertaling van de psalmen, laat dat duidelijk zijn”, besloot de interviewer op kalmerende toon. „Ja”, zei Oosterhuis, „dat is duidelijk.”

Waarom is dat duidelijk, riep ik verbaasd in het donker. Waarom is die straatversie „heel iets anders?” Als je het goed bekijkt is de taal van Oosterhuis ook een straattaal, alleen dan in een andere straat. Een wittere straat. Een vromere straat. Als de Torrie overbodig is, naast de bestaande Bijbel, is de versie van Oosterhuis dat net zo goed. Ook zijn lezers vormen een subcultuur, met een eigen taal en een eigen beschavingsniveau. Natuurlijk denken alle mensen graag over zichzelf dat ze ‘de mensen’ zijn, maar in feite is niemand ‘de mensen’; Huub Oosterhuis schrijft net zo min voor de mensen als jongerenwerker Daniel de Wolf.

Eerder dit jaar las ik in de krant dat in Nederland 2,2 miljoen mensen een IQ hebben onder 85. Ik herhaal dit bericht maar steeds weer, omdat het de belangrijkste informatie is die ik in tijden heb gekregen. Als u in een drukke stadsbus stapt, is een van uw medepassagiers onnoemelijk veel intelligenter dan u zelf, en zes van uw medepassagiers zijn zwakbegaafd. Het kan geen kwaad ons van zulke onderlinge verschillen – ook verschillen in cultuur, opleiding, belangstelling en aanleg – af en toe rekenschap te geven, ze serieus te nemen en ze te respecteren.

Als iemand zo’n verheven draai aan de psalmen geeft dat ik ze niet langer kan volgen, neem ik diep mijn hoed voor hem af. Net als voor de schrijver van de onbegrijpelijke tekst waarin Herodes ‘omin broeja’ gaat lopen doen. Beide schrijvers bedienen een belangrijke groep in de Nederlandse maatschappij. Maar ze bedienen niet alle mensen – en ik kan alleen maar hopen dat iemand ook eens iets schrijft dat zelfs ik kan begrijpen.