Oud-Hollandse pret in Parijs

Het buitenlanderschap brengt leuke en minder leuke dingen met zich mee. Sophie van der Stap probeert een beetje Parisienne te worden.

Maar je zult nooit ontkomen aan de plek waar je werkelijk vandaan komt.

Vanavond zit ik aan tafel met onder meer Naamloos en Naamloza in Racines, een van onze favoriete restaurants uit mijn buitenlandse thuisstad. Sympathiek, geen gedoe en de kip smaakt er zowaar naar kip. Daarbij serveren ze een goede portie groenten en niet drie hongerig makende haricots verts.

Het buitenlanderschap brengt zoals elke status leuke en minder leuke dingen met zich mee. Leuk: je zeult met zware boodschappen, blijft stilstaan bij een Franse kaasboer en je vergeet dat er een zware tas aan je arm hangt. Sterker nog, je waant je met vakantie. Ook leuk: je bent Hollandse dus anders dus interessant. Daarbij ben je daar waar je vandaan komt ook nog eens een bekende écrivain. Weten zij veel dat je als Amsterdamse slechts twee handdrukken verwijderd bent van het Nederlandse sterrendom. Minder leuk: je staat bij een visboer en bestelt de la poularde (kip) in plaats van de la palourde (kokkels), en opeens blijkt dat Parijzenaars heel goed kunnen lachen. Om jou. Ook minder leuk: de onzekerheid. Je komt aan op een druk terras en hoewel je weet dat je evenveel recht hebt als de échte Parijzenaars om te vechten om dat ene begeerde plekje, voelt het toch niet zo.

Ondertussen, terwijl ‘wel-leuk’ en ‘niet-leuk’ elkaar afwisselen, ben je steeds meer een Parijzenaar aan het worden. Blikken van herkenning, Parijse herinneringen, een groeiende vocabulaire en een paar echte Franse vrienden. Alhoewel Frans? Naamloos en Naamloza zijn allebei Fransen van Hollandse komaf – naarmate het ze uitkomt zijn ze dan weer meer van het een, dan weer meer van het ander. Iets waar ik zelf, na drie jaar Parijs, ook niet meer aan ontkom. Zodra Parijs glinstert onder de zon, voel ik me meer Parissienne. Maar zodra de stad haar afstandelijke en kille gezicht laat zien mag iedereen weten dat ik Amsterdamse ben.

Daar waar je vandaan komt… Je zal er wel niet aan ontkomen.

Met Naamloos en Naamloza praat ik in een vreemde mengelmoes van Frans-Nederlands, dat wil zeggen; oud-Hollands. Het is opmerkelijk hoe snel een taal zich ontwikkelt – of verdwijnt; beiden hebben het vocabulaire van hun ouders (die op jonge leeftijd naar Frankrijk zijn verhuisd) meegekregen, een vocabulaire dat sindsdien niet meer bijgevoed is. Zo noemt Naamloos me steevast schattepoes en maakt hij grapjes in de trant van: „Ik dacht dat ze zei ‘Oh neem mij’, maar ze zei ‘Oh neem mij niet kwalijk,” en brult het dan uit van het lachen. Van de woorden flauwekul, vurrukkulluk en zalig kan hij ook niet genoeg krijgen. Zorgvuldig houdt hij (50+) de dubbele r van verrukkelijk achter in de keel vast voordat hij de rest van het woord uit zijn mond laat rollen. De pret die erop volgt doet niet onder aan de pret van een jong kind die zojuist kattekwaad heeft uitgehaald. Kattekwaad, ook zo’n woord. En Naamloza? Die ziet ondertussen geen mooie mannen die ons kip serveren, maar echte spetters.

Hier, in een Parijs restaurant, verrijk ik mijn Nederlandse vocabulaire. Pure bijvangst, daar het mijne niet zoveel soeps is voor een ecrivain. En hier in een Parijs restaurant mag ik zonder blozen over vurrukkullukke flauwekul, zalige boontjes en echte spetters praten, ja me zelfs nog een schattenpoes wanen nadat ik ’s ochtends bij de visboer kattekwaad (van het onschuldige soort) heb uitgehaald omdat heel Parijs me stond uit te lachen.

Het buitenlanderschap, ik kan het iedereen aanraden.

Schrijfster Sophie van der Stap (28) woont in Parijs en schrijft voor nrc.next om de week over het theater van de mensen in een grote stad.

    • Sophie van der Stap