Opvang voor de falende burger

Houdt het recht op zelfbeschikking ook het recht op verloedering in? De GGZ-directeur uit de regio Rijnmond Sjef Czyzewski gaf zaterdag in deze krant ferm het antwoord nee. Er mag niet worden bezuinigd op succesvol beleid dat daklozen, zwervers en dolende psychiatrische patiënten weer onder dak bracht. Hij gebruikte zware termen. Kwetsbare mensen worden „weggejaagd” uit de opvang. Die gaan „eerder dood”.

Het kabinet bezuinigt volgend jaar 593 miljoen euro in de geestelijke gezondheidszorg. Lokale autoriteiten menen nu dat zwervers en daklozen in het straatbeeld zullen terugkeren. De politie zou weer geconfronteerd worden met patiënten die in de opvang thuishoren. Niet in de cel.

De opvang van daklozen en zwervers is de laatste jaren verbeterd. Er is gekozen voor een gelijktijdige aanpak van verslaving, dakloosheid en werkloosheid bij zwervers. Dat heeft waarneembare positieve resultaten gehad. Nu er drastisch wordt bezuinigd, is de vraag relevant wanneer goedkoop uitloopt op duurkoop. Zijn de departementen die bezuinigen wel in staat om de negatieve effecten op andere terreinen in te schatten? Zorg, veiligheid, welzijn, huisvesting zijn communicerende vaten. Ook landelijk is een integrale benadering nodig. Anders blijft het probleem van dakloze verslaafden kaatsen tussen de politiecel, de straat en de crisisopvang.

Nu er kennelijk een benadering is die werkt, moet zo’n ‘best practice’ gekoesterd worden. Waarmee niet is gezegd dat het probleem ook is opgelost. Het Trimbos-instituut schatte de totale groep daklozen in 2010 op 36.700, evenveel als het aantal inwoners van Goes of Coevorden. Utopia is dus nog niet bereikt. Dakloosheid is een hardnekkig probleem, dat een specifieke benadering verdient. Een eigen bijdrage van 200 euro voor de psychiater past in de wereld van burgers die iedere dag kunnen eten en douchen. De dakloze, verslaafde en gestoorde ‘zorgmijder’ zou hiervan uitgezonderd moeten worden. Overheden moeten hier praktische wijsheid tonen en inzien dat sommige besparingen elders uitgaven doen stijgen. Misschien zullen sommigen een hogere bijdrage moeten betalen, zodat voor anderen een lagere drempel kan gelden.

De financiële beperkingen zijn intussen wel een realiteit en een aansporing, ook voor lokale bestuurders, om te bezien wat er dan wel kan. Niemand ontkomt aan een herijking van uitgaven. Nu er kennelijk een benadering is gevonden die loont, moet die ook uitgangspunt zijn. Juist in de reclassering en detentiebegeleiding is de ‘what works’-benadering de laatste jaren aan een opmars begonnen. Successen zijn hier zo zeldzaam dat er voorzichtig mee moet worden omgesprongen.