Omkleden in achterbak tussen reservewielen

De Britse veldrijder Ian Field (25) stak vier jaar geleden Het Kanaal over om mee te doen in de grote wedstrijden met de Belgische toppers. „De grote jongens maken echt geen praatje met mij.”

Cyclocross in Hamme-Zogge, België. De Brit Ian Field. Wouter Van Vooren

Veldrijder Ian Field hoort er niet echt bij. Hij is al vier jaar de enige Britse topcrosser in een veld vol Belgen en dat is af en toe best eenzaam. In het begin wilden zijn tegenstanders niet eens naast hem rijden, bang als ze waren om met de Brit geassocieerd te worden. „En nog steeds maken de grote jongens echt geen praatje met mij”, lacht de 25-jarige Field voor de cross van Hamme-Zogge in Vlaanderen. Hij zou 22ste worden.

De concurrenten van Field zijn vandaag met de bestickerde vrachtwagens van hun profploeg of een luxe camper naar de Belgische wedstrijd in de Superprestige gereisd. De equipe van de Vlaamse vedette Sven Nys heeft met een truck en vier campers zelfs een hele straat in het dorpje Zogge in beslag genomen. Field daarentegen zit een uurtje voor de koers in de achterbak van zijn rode bestelauto, tussen de reservewielen. Hij duikt nog eens weg in zijn knielange donsjack, meer beschutting tegen de snijdende kou heeft hij niet. Zijn grijns is nog wel te zien: „De anderen hebben een warme camper, vijf mecaniciens en 18 fietsen. Ik heb een dikke jas.”

De Britse veldrijder zegt dat zijn achterstand hem niet demotiveert, maar juist hongerig maakt. Sinds hij vier jaar geleden Het Kanaal overstak om zich te meten met de beste coureurs in zijn sport, is hij gewend in zijn eentje zijn trainingsrondjes te maken, zelf zijn fiets schoon te maken en voor de wedstrijd zijn bidon te vullen. Field weet dat hij zich nog steeds verbetert, elke cross weer. „Zolang ik zie dat ik progressie boek, is dit het waard.”

Vier jaar geleden reed Field zijn eerste veldrit in België. In het Verenigd Koninkrijk won hij elke koers waar hij aan meedeed met relatief gemak, waarna hij ging kijken hoe dicht hij bij de echte top kon komen. En daarvoor moest hij naar België. Sinds Field als toeschouwer het wereldkampioenschap in Zolder (2002) had bezocht, wist hij dat in België de beste veldrijders de status hebben van voetballers, dat er soms wel tienduizenden toeschouwers op de cross afkomen en regelmatig 600.000 tv-kijkers inschakelen voor een live-uitzending.

En het Belgische avontuur bevalt hem, hoewel de veldrijder merkte dat hij een flinke achterstand had. „Het niveau is hier zo hoog, ook bij de junioren. Er is altijd wel iemand om mee te trainen en als je tegen sterke tegenstanders rijdt, verbeter je jezelf. Dat heb ik als Brit gemist in mijn jeugd.”

Field pendelde de eerste twee jaar heen en weer over Het Kanaal, daarna vestigde hij zich in het Vlaamse Oudenaarde. Hij is de afgelopen seizoenen steeds beter gaan presteren: tegenwoordig eindigt Field in grote wedstrijden zo rond de twintigste plaats en door de vaste volgers van de cross wordt hij intussen herkend. Field-De-Brit noemen ze hem, of Fieldy. Toch hoort hij het Spaanse ‘Venga, venga’ nog net iets vaker als hij dicht langs de hekken rijdt. „Ik heb een rood-geel tenue aan en daardoor denken de mensen dat ik de nationale kampioen van Spanje ben. Maar volgens mij zijn er helemaal geen Spaanse veldrijders.”

Aan de kritische Belgische crosscultuur moest hij wel even wennen, zegt de Britse veldrijder. „In Engeland krijg je na een slechte race altijd te horen dat je het toch goed hebt gedaan. Zelf weet je dan wel beter. Maar in België zeggen de toeschouwers direct dat het niet zo goed ging.” Field vertelt dat hij ook wel eens is bekritiseerd door een toeschouwer op kaplaarzen die vond dat de druk in zijn banden niet goed was. Field grijnst weer eens: „Het zijn hier allemaal kenners.”

Aan het begin van dit seizoen tekende Field, 34ste op de wereldranglijst, voor het eerst in zijn carrière een contract met de organisatie van de Superprestige-veldritten. Daarmee verzekerde hij zich van deelname aan alle koersen uit de cyclus en kan hij rekenen op startgeld. „Vorig jaar meldde ik mij nog gewoon bij de start, ook al kreeg ik daar geen geld voor. Ik moest onderaan de ladder beginnen.”

Door het startcontract en de komst van een nieuwe sponsor verdient Field, die fulltime traint en wedstrijden rijdt, ook voor het eerst wat geld met zijn sport. De afgelopen drie seizoenen, waarin hij met zijn twee fietsen in de achterbak naar wedstrijden in België, Nederland, Frankrijk en Tsjechië reed, ontving hij slechts een onkostenvergoeding. Het feit dat hij steeds betere uitslagen ging rijden hield hem op de been. „Want het is af en toe niet leuk als je het hele jaar keihard hebt gewerkt, maar helemaal geen geld hebt verdiend.”

Als de Britse renner zijn hometrainer uit de achterbak haalt om zich een half uur voor de wedstrijd warm te fietsen, vertelt hij dat hij een plaats bij de beste vijftien veldrijders ter wereld tot doel heeft. De andere renners hebben tentjes opgezet voor hun hometrainers, of rijden zich warm in de luwte van de bus. Maar op de koude parkeerplaats houdt Field zijn jas nog even aan terwijl hij zich in het zweet trapt. „Als ik vaker vooraan rij, en de anderen versla, dan dwing ik ook meer respect af”, zegt hij. Misschien zullen ook de grote jongens dan eens komen informeren wie Ian Field nu eigenlijk is.