Italië na Silvio Berlusconi

Alsof er een nationale feestdag te vieren viel, zo uitbundig bejubelden sommige Italianen zaterdagavond het niet meer onverwachte vertrek van premier Silvio Berlusconi. Op zichzelf was dat weliswaar een van de weinig juiste besluiten die hij de laatste tijd heeft genomen. Maar hopelijk beseffen de Italianen, die „wij zijn vrij” riepen en de terugkeer van de democratie begroetten, ook dat hun nog wat aan narigheid te wachten staat. Bezuinigingen namelijk, die invloed zullen hebben op hun dagelijkse leven en op hun welvaart.

Ook moeten de Italianen niet vergeten dat zij het zelf waren die hun nu verguisde ex-premier al die tijd in het zadel hebben gehouden. Als kiezers en als parlementariërs. Berlusconi maakte weliswaar maximaal gebruik van de mediamacht waarover hij beschikte, het waren toch de Italiaanse kiezers zelf die hem zo langdurig tot de belangrijkste politicus van het land maakten. En, zo bleek gisteren, de 75-jarige zakenman en miljardair dicht zichzelf nog kansen toe op een terugkeer aan het politieke front, terwijl hij bovendien parlementariër blijft. Het is overigens nog geen week geleden dat Berlusconi geruchten over zijn vertrek „ongefundeerd” noemde. Geloofwaardigheid was nooit zijn sterkste kant.

Maar op korte termijn is de macht in Italië, net als in Griekenland, aan de technocraten. Vermoedelijk noodzakelijk, maar uit democratisch oogpunt toch te betreuren. De partijloze Lucas Papademos, voormalig vicepresident van de Europese Centrale Bank, leidt het nieuwe Griekse kabinet. De partijloze Mario Monti, voormalig Europees Commissaris, wordt de nieuwe premier van Italië. President Giorgio Napolitano heeft het slim gespeeld. Onverhoeds benoemde hij Monti vorige week tot senator voor het leven. Daarmee was het zonneklaar dat de president in deze econoom de nieuwe premier zag.

Internationaal is er met opluchting gereageerd op deze machtswisselingen. Maar zowel de nationale regering in Athene als het zakenkabinet in Rome beschikt over slechts marginale speelruimte. De financiële markten, de ECB, het IMF, de Europese Commissie en de regeringsleiders dicteren het beleid dat landen met een veel te grote schuldpositie moeten voeren. En dat komt neer op hervormingen en impopulaire bezuinigingen. Het is goed dat de Italiaanse Senaat en de Kamer van Afgevaardigden met het bezuinigingspakket van 60 miljard euro hebben ingestemd. Maar straks komt het erop aan de rug recht te houden, als de bezuinigingen pijn gaan doen en de euforie voorbij is.

Anders dan voor Griekenland is het uitgangspunt voor Italië niet zo slecht. Het land heeft weliswaar een te grote staatsschuld, maar is in potentie een gezonde economie. In Italië is het zeker waar dat de noodzakelijke hervormingen geen kwestie van kúnnen zijn, maar van willen.